Maakt de richting van sporttape verschil?

Maakt de richting van sporttape verschil?

Bij het aanbrengen van niet-elastische sporttape worden stroken bewust in verschillende richtingen geplaatst. Bij een enkel kunnen stroken bijvoorbeeld:

  • horizontaal;
  • verticaal;
  • schuin;
  • in een achtvorm

worden aangebracht. Die richtingen zijn niet willekeurig. Omdat sporttape weinig elastisch is, kan de richting waarin een strook wordt aangebracht invloed hebben op:

  • de mechanische weerstand;
  • de verdeling van krachten;
  • de bewegingsrichting die wordt begrensd;
  • de stabiliteit van de totale tapeconstructie.

Toch is het te eenvoudig om te stellen dat iedere afzonderlijke strook één exact en volledig voorspelbaar effect heeft. Een tapetoepassing werkt meestal als een samengestelde mechanische constructie. De belangrijkste vraag is daarom niet alleen:

In welke richting loopt deze strook?

Maar ook:

Wat draagt deze strook bij aan het doel van de volledige tapetoepassing?

Waarom worden stroken in verschillende richtingen aangebracht?

Een gewricht beweegt meestal in meerdere richtingen. Daarom bestaat een tapetoepassing vaak uit verschillende stroken met verschillende functies. Een strook kan bijvoorbeeld worden gebruikt om:

  • een basis te creëren;
  • een bepaalde bewegingsrichting af te remmen;
  • eerdere stroken te fixeren;
  • krachten over een groter oppervlak te verdelen.

Bij enkel taping worden vaak combinaties gebruikt van:

  • ankers;
  • stijgbeugels;
  • hoefijzerstroken;
  • achtvormige stroken;
  • hielsloten.

Iedere techniek creëert een andere mechanische constructie. De richting van de stroken bepaalt mede hoe krachten door de tape worden opgevangen en verdeeld.

Ankers en functionele stroken

Niet iedere strook in een tapetoepassing heeft dezelfde functie.

Ankers

Ankers vormen een basis waarop andere stroken kunnen worden bevestigd. Ze kunnen helpen om:

  • functionele stroken op hun plaats te houden;
  • krachten te verdelen;
  • de totale constructie samen te brengen.

Een anker is dus niet automatisch de strook die de belangrijkste bewegingsbeperking veroorzaakt.

Functionele stroken

Functionele stroken worden aangebracht met een specifiek mechanisch doel. Bij een enkel kan een strook bijvoorbeeld zo worden geplaatst dat deze weerstand geeft tegen een ongewenste inversiebeweging. De precieze functie hangt af van:

  • richting;
  • aanhechtingspunten;
  • spanning;
  • positie van het gewricht.

Daarom is een tapetechniek meer dan simpelweg meerdere stroken rondom een gewricht wikkelen.

Bewegingsrichting beperken

Niet-elastische tape geeft vooral weerstand wanneer een beweging spanning op de tapeconstructie veroorzaakt. De richting van de tape is daarom relevant. Wanneer een strook zo wordt aangebracht dat deze bij een bepaalde beweging strak komt te staan, kan deze beweging eerder worden afgeremd. Bij enkel taping kan het doel bijvoorbeeld zijn om:

  • extreme inversie te beperken;
  • ongewenste rotatie af te remmen.

Bij een duim kan tape worden gebruikt om:

  • overmatige abductie;
  • extensie;
  • een combinatie van bewegingen

te begrenzen. De richting van de stroken wordt daarom afgestemd op de beweging die men wil beïnvloeden. Dat betekent echter niet dat een gewricht als een eenvoudig scharnier reageert. Bewegingen zijn meestal driedimensionaal en de totale tapeconstructie werkt als één geheel.

Anatomische plaatsing

Kennis van anatomie is belangrijk bij het aanbrengen van sporttape. De therapeut of sportverzorger moet rekening houden met:

  • gewrichtsassen;
  • botpunten;
  • pezen;
  • kwetsbare huidgebieden;
  • oppervlakkig gelegen zenuwen;
  • bloedvaten.

Een mechanisch logische strook kan oncomfortabel of onveilig worden wanneer deze:

  • over een gevoelig botpunt trekt;
  • een lokale drukplek veroorzaakt;
  • een zenuw comprimeert.

Ook de positie van het gewricht tijdens het tapen is belangrijk. Een strook die in een bepaalde gewrichtspositie wordt aangebracht, kan tijdens beweging meer of minder spanning ontwikkelen. De richting van tape kan daarom niet los worden gezien van:

  • anatomie;
  • gewrichtspositie;
  • functie.

Mechanische trekkracht

Een tapeconstructie kan krachten over de huid en rond een gewricht verdelen. Wanneer het gewricht beweegt, kunnen bepaalde stroken:

  • strakker komen te staan;
  • trekkracht opbouwen;
  • beweging afremmen.

Hoeveel mechanische weerstand ontstaat, hangt niet alleen af van de richting. Ook belangrijk zijn:

  • type tape;
  • aantal lagen;
  • overlap;
  • kleefkracht;
  • spanning tijdens het aanbrengen;
  • lichaamsbeweging.

Daarom kan dezelfde richting bij twee verschillende tapetoepassingen een ander effect hebben. De richting is belangrijk, maar is slechts één onderdeel van de totale mechanische constructie.

Sensorische invloed

De richting van een strook kan ook invloed hebben op waar en wanneer de huid wordt belast. Wanneer een beweging spanning op de tape veroorzaakt, kan de sporter voelen dat:

  • de tape trekt;
  • de huid wordt belast;
  • een bewegingsgrens wordt benaderd.

Dit geeft sensorische informatie. Mogelijk kan die informatie bijdragen aan:

  • bewegingswaarneming;
  • bewustwording van een bewegingsrichting;
  • verandering van bewegingsgedrag.

Het is echter moeilijk om het sensorische effect van één specifieke strook afzonderlijk te meten. De sporter ervaart meestal de volledige tapeconstructie. Daarom is voorzichtigheid nodig met claims zoals:

“Deze strook activeert precies deze neurologische reactie.”

Daarvoor bestaat onvoldoende bewijs.

Is iedere strook noodzakelijk?

Veel tapetechnieken zijn historisch ontwikkeld en vervolgens doorgegeven binnen:

  • sportverzorging;
  • fysiotherapie;
  • opleidingen.

Daardoor kunnen technieken uit relatief veel stroken bestaan. Maar iedere extra strook betekent ook:

  • meer materiaal;
  • meer gewicht;
  • meer huidcontact;
  • mogelijk meer bewegingsbeperking.

Daarom is het zinvol om bij iedere strook te vragen:

Wat is de functie van deze strook?

Wanneer een strook geen duidelijk doel heeft, is het de vraag of deze noodzakelijk is. Een efficiënte tapetoepassing gebruikt bij voorkeur voldoende tape om het gewenste effect te bereiken, zonder onnodige:

  • lagen;
  • druk;
  • huidbelasting.

Onderzoek naar afzonderlijke onderdelen van complete tapetechnieken is echter beperkt. Daardoor weten we niet voor iedere traditionele techniek precies welke stroken essentieel zijn.

Wat zegt de wetenschap?

Onderzoek naar sporttape laat zien dat rigide taping bepaalde gewrichtsbewegingen tijdelijk kan beperken. Vooral bij enkel taping is dit relatief uitgebreid onderzocht. De mechanische effecten kunnen echter tijdens inspanning afnemen (Cordova et al., 2000; Wilkerson, 2002). Ook zijn verschillende tapetechnieken onderzocht, waarbij verschillen kunnen bestaan in de mate van mechanische ondersteuning.

Wat veel minder goed is onderzocht, is het afzonderlijke effect van:

  • iedere strook;
  • iedere richting;
  • iedere volgorde.

Daarom is de uitspraak:

“De richting van sporttape maakt geen verschil”

te eenvoudig. Maar ook:

“Iedere strook heeft één exact bewezen effect”

is te stellig. De meest verdedigbare conclusie is:

De richting van stroken draagt bij aan de mechanische eigenschappen van de totale tapeconstructie, maar de precieze bijdrage van iedere afzonderlijke strook is niet altijd wetenschappelijk vastgesteld.

Praktijkvoorbeeld

Een voetballer heeft meerdere inversietrauma’s van de enkel doorgemaakt. Het doel van de tapetoepassing is om extreme inversie tijdens de wedstrijd tijdelijk af te remmen. De therapeut gebruikt:

  • ankers als basis;
  • functionele stroken die weerstand geven tegen inversie;
  • aanvullende stroken om de constructie te fixeren.

De stroken worden niet willekeurig rondom de enkel gewikkeld. De richting wordt gekozen op basis van:

  • de beweging die moet worden begrensd;
  • de anatomie van de enkel;
  • de gewenste bewegingsvrijheid.

Na het tapen wordt getest of de sporter:

  • voldoende ondersteuning ervaart;
  • normaal kan lopen;
  • kan springen;
  • sportspecifieke bewegingen kan uitvoeren.

Wanneer de tape veel beweging beperkt maar de sporter nauwelijks functioneel kan bewegen, is de toepassing niet automatisch beter. Het doel is:

gerichte bewegingsbegrenzing met behoud van noodzakelijke functie.

Conclusie

Ja, de richting van sporttape kan verschil maken. Niet-elastische tape geeft mechanische weerstand en de richting van een strook bepaalt mede:

  • wanneer de tape onder spanning komt;
  • welke beweging wordt afgeremd;
  • hoe krachten worden verdeeld.

Daarom worden verschillende stroken gebruikt als:

  • ankers;
  • functionele ondersteuning;
  • fixatie.

Maar een tapetoepassing werkt meestal als een totale constructie. Het is daarom te eenvoudig om iedere afzonderlijke strook één exact en volledig voorspelbaar effect toe te schrijven. De mechanische werking wordt bepaald door een combinatie van:

richting + positie + spanning + overlap + materiaal + beweging.

Daarnaast kan de richting beïnvloeden waar en wanneer de sporter trekkracht op de huid voelt. Daarmee kan ook sensorische informatie een rol spelen. De meest praktische regel is:

Iedere strook moet een doel hebben.

Een goede tapetoepassing bestaat niet uit zo veel mogelijk tape, maar uit een doordachte constructie die:

  • de gewenste beweging begrenst;
  • noodzakelijke beweging behoudt;
  • comfortabel blijft;
  • veilig kan worden gedragen.

Professionele witte sporttape gebruiken?

Bekijk het assortiment niet-elastische sporttape voor fysiotherapie, sportverzorging en gerichte tijdelijke ondersteuning.

Bekijk witte sporttape

Wetenschappelijke bronnen

  • Cordova, M.L. et al. (2000). Effects of ankle support on lower-extremity functional performance: a meta-analysis. Medicine & Science in Sports & Exercise.
  • Dizon, J.M.R. & Reyes, J.J.B. (2010). A systematic review on the effectiveness of external ankle supports in the prevention of inversion ankle sprains among elite and recreational players. Journal of Science and Medicine in Sport.
  • Kaminski, T.W. et al. (2013). National Athletic Trainers’ Association position statement: Conservative management and prevention of ankle sprains in athletes. Journal of Athletic Training.
  • Wilkerson, G.B. (2002). Biomechanical and neuromuscular effects of ankle taping and bracing. Journal of Athletic Training.