De rol van de therapeut bij cupping

De rol van de therapeut bij cupping

Een cup op de huid plaatsen is technisch niet bijzonder moeilijk. Een siliconen cup kan worden ingedrukt en een vacuümcup kan met een pomp worden aangebracht. Maar cups plaatsen is niet hetzelfde als behandelen. De professionele waarde van cupping zit niet alleen in de techniek. Minstens zo belangrijk zijn:

  • waarom de techniek wordt gekozen;
  • welk doel ermee wordt nagestreefd;
  • hoeveel negatieve druk wordt gebruikt;
  • hoe lang wordt behandeld;
  • welke uitleg de patiënt krijgt;
  • hoe het effect wordt geëvalueerd.

Cupping kan bij sommige patiënten tijdelijk invloed hebben op pijn, ervaren spanning en bewegingsvrijheid. De therapeut moet beoordelen of zo’n verandering daadwerkelijk iets toevoegt aan het herstelproces.

Cups plaatsen is niet hetzelfde als behandelen

Een cuppingbehandeling kan er technisch indrukwekkend uitzien. Er worden bijvoorbeeld meerdere cups geplaatst op:

  • de rug;
  • schouders;
  • benen.

Na afloop zijn duidelijke ronde verkleuringen zichtbaar. Maar het aantal cups en de intensiteit van de huidreactie zeggen weinig over de kwaliteit van de behandeling. Een goede behandeling begint niet met de vraag:

“Waar kan ik cups plaatsen?”

maar met:

“Wat is het probleem van deze patiënt en wat wil ik met deze interventie bereiken?”

Een patiënt met lage rugpijn kan bijvoorbeeld moeite hebben met:

  • vooroverbuigen;
  • lang zitten;
  • tillen;
  • sporten.

Wanneer cupping wordt gebruikt, moet duidelijk zijn welk probleem wordt beïnvloed en hoe dat wordt geëvalueerd. Zonder een behandeldoel wordt cupping gemakkelijk een routinehandeling.

Klinisch redeneren vóór cupping

Voor cupping begint, moet eerst worden beoordeeld of de techniek past bij de patiënt en de klacht. Dat betekent onder andere nadenken over:

  • aard en duur van de klachten;
  • relevante functionele beperkingen;
  • mogelijke alarmsymptomen;
  • conditie van de huid;
  • medische voorgeschiedenis;
  • medicatie;
  • verwachtingen van de patiënt.

Niet iedere pijnlijke plek hoeft te worden gecupt. En niet iedere klacht die als:

  • gespannen;
  • vastzittend;
  • verkleefd

wordt omschreven, vraagt automatisch om een lokale passieve behandeling. Klinisch redeneren betekent ook dat de therapeut alternatieven overweegt. Misschien is op dat moment:

  • uitleg;
  • oefentherapie;
  • aanpassing van belasting;
  • geleidelijke blootstelling aan beweging

relevanter dan cupping. Cupping is een mogelijke interventie binnen het behandelproces, niet het vertrekpunt van de diagnose.

Wat wil je met cupping bereiken?

Een behandeling wordt beter te beoordelen wanneer vooraf een concreet doel wordt gekozen. Mogelijke doelen zijn bijvoorbeeld:

  • tijdelijke pijnvermindering;
  • vermindering van ervaren spanning;
  • gemakkelijker uitvoeren van een beweging;
  • vergroten van het vertrouwen in bewegen;
  • creëren van een comfortabeler moment voor oefentherapie.

Een doel zoals:

“De fascia losmaken”

is moeilijk objectief te beoordelen. Hoe weet je immers of fascia daadwerkelijk is losgemaakt? Een doel zoals:

“De patiënt kan na de behandeling de nek gemakkelijker naar rechts draaien”

is veel concreter. De therapeut kan dan:

  • de beweging vooraf testen;
  • cupping toepassen;
  • dezelfde beweging opnieuw testen.

Zo wordt de interventie onderdeel van een klinisch experiment. De vraag is niet of cupping theoretisch zou moeten werken, maar of er bij deze patiënt een relevante verandering optreedt.

Dosering en behandelkeuze

Cupping is geen interventie met één standaarddosering. De mechanische belasting wordt beïnvloed door:

  • hoeveelheid negatieve druk;
  • behandeltijd;
  • cupgrootte;
  • statische of bewegende techniek;
  • lichaamsregio;
  • conditie van de huid;
  • individuele gevoeligheid.

Onderzoek van Wang et al. (2020) laat zien dat verschillende hoeveelheden negatieve druk en behandeltijden verschillende reacties in de huiddoorbloeding kunnen veroorzaken. Dit ondersteunt een belangrijk klinisch principe:

dosering doet ertoe.

Meer vacuüm is niet automatisch beter. Een sterke behandeling kan leiden tot:

  • meer pijn;
  • forse verkleuring;
  • petechiën;
  • blaarvorming;
  • huidbeschadiging.

De therapeut moet daarom zoeken naar een passende dosis, niet naar de maximaal verdraagbare dosis. Ook de keuze tussen:

  • statische cupping;
  • bewegende cupping;
  • siliconen cups;
  • pompgestuurde vacuümcups

moet aansluiten bij het behandeldoel. De techniek volgt uit het klinisch redeneren, niet andersom.

Uitleg beïnvloedt de ervaring

Wat een therapeut zegt, kan invloed hebben op hoe een patiënt een behandeling ervaart. Vergelijk deze uitleg:

“Hier zit alles vast. Ik moet de verklevingen met de cup lostrekken.”

met:

“De cup geeft een sterke mechanische en sensorische prikkel. We gaan kijken of dit tijdelijk invloed heeft op uw pijn en bewegen.”

De eerste uitleg kan de patiënt het idee geven dat:

  • het lichaam beschadigd is;
  • weefsels vastzitten;
  • alleen de therapeut het probleem kan oplossen.

De tweede uitleg biedt een realistischer kader. De behandeling wordt dan een manier om te onderzoeken of een tijdelijke verandering ontstaat. Onderzoek naar contextuele effecten binnen pijnbehandeling laat zien dat verwachtingen en communicatie invloed kunnen hebben op behandeluitkomsten (Benedetti, 2013; Testa & Rossettini, 2016). Daarom is uitleg geen neutraal onderdeel van de behandeling.

Verwachtingen en nocebo

Een positieve verwachting kan een behandeling beïnvloeden. Dat betekent niet dat het effect “tussen de oren” zit. Pijn is altijd een ervaring die wordt beïnvloed door biologische, psychologische en contextuele factoren.

Maar negatieve uitleg kan ook een ongunstig effect hebben. Dit wordt vaak een nocebo-effect genoemd. Voorbeelden van potentieel ongunstige uitleg zijn:

  • “Uw spieren zitten helemaal vol afvalstoffen.”
  • “Uw fascia zit ernstig verkleefd.”
  • “Hoe donkerder de plek, hoe slechter het gebied.”
  • “U moet regelmatig terugkomen om alles los te houden.”

Dergelijke uitspraken kunnen:

  • angst vergroten;
  • het vertrouwen in het lichaam verminderen;
  • afhankelijkheid van behandeling versterken.

Een therapeut hoeft een patiënt niet te overtuigen dat cupping niets doet. Maar de uitleg moet wel passen bij wat wetenschappelijk verdedigbaar is. Een zorgvuldige formulering is bijvoorbeeld:

“Sommige mensen ervaren na cupping tijdelijk minder pijn of spanning. We testen of dat bij u ook gebeurt.”

De patiënt controle geven

Cupping kan intens aanvoelen. Daarom is het belangrijk dat de patiënt weet dat hij of zij invloed heeft op de behandeling. De patiënt moet weten:

  • wat er gaat gebeuren;
  • wat normaal kan aanvoelen;
  • welke huidreacties kunnen ontstaan;
  • dat de zuigkracht kan worden aangepast;
  • dat de behandeling altijd kan worden gestopt.

Een patiënt hoeft geen hevige pijn te verdragen omdat:

“het erbij hoort.”

De therapeut kan tijdens de behandeling regelmatig vragen naar:

  • comfort;
  • pijn;
  • branderig gevoel;
  • algemene reactie.

Dit is vooral belangrijk bij:

  • een eerste behandeling;
  • gevoelige huid;
  • hogere negatieve druk;
  • langere behandeltijd.

Controle en voorspelbaarheid kunnen bijdragen aan een veiligere en prettigere behandelervaring.

Evalueren of cupping iets toevoegt

Een interventie moet worden geëvalueerd. Dat kan eenvoudig.

Voor de behandeling

Kies een relevante uitkomst:

  • pijn tijdens een beweging;
  • bewegingsuitslag;
  • functionele taak;
  • ervaren spanning.

Na de behandeling

Test dezelfde uitkomst opnieuw. De patiënt kan dan bijvoorbeeld:

  • minder pijn ervaren;
  • gemakkelijker bewegen;
  • geen verschil merken;
  • juist meer klachten ervaren.

Alle uitkomsten zijn relevante informatie. Wanneer cupping na meerdere behandelingen geen betekenisvolle verandering geeft, moet de vraag worden gesteld:

Waarom blijven we deze interventie gebruiken?

Een behandeling hoeft niet te worden voortgezet omdat de therapeut de techniek beheerst of omdat de patiënt eraan gewend is.

Afhankelijkheid van passieve behandeling voorkomen

Passieve behandelingen kunnen prettig zijn. Dat is op zichzelf geen probleem. Het wordt problematisch wanneer een patiënt gaat geloven:

  • “Mijn lichaam kan zichzelf niet herstellen.”
  • “Mijn spieren gaan steeds opnieuw vastzitten.”
  • “Ik moet iedere week gecupt worden om te kunnen functioneren.”

Cupping kan dan onbedoeld afhankelijkheid versterken. De therapeut kan dit voorkomen door duidelijk te maken dat een tijdelijk effect gebruikt kan worden als ingang naar activiteit. Bijvoorbeeld:

  • cupping vermindert tijdelijk de pijn;
  • bewegen wordt gemakkelijker;
  • de patiënt oefent;
  • de belastbaarheid wordt geleidelijk opgebouwd;
  • de behoefte aan passieve behandeling neemt idealiter af.

Cupping wordt dan een hulpmiddel binnen het herstelproces en niet iets waarvan de patiënt permanent afhankelijk moet blijven. Dit betekent niet dat iedere vorm van onderhoudsbehandeling verkeerd is. Maar de keuze moet bewust worden gemaakt en niet gebaseerd zijn op angst dat het lichaam zonder behandeling opnieuw “vastloopt”.

Praktijkvoorbeeld

Een patiënt heeft al enkele maanden schouderklachten. De patiënt zegt:

“Mijn schouder zit vast en moet worden losgecupt.”

De therapeut neemt deze ervaring serieus, maar onderzoekt eerst wat daadwerkelijk beperkt is. Bij het heffen van de arm ervaart de patiënt:

  • pijn: 6 op 10;
  • onzekerheid;
  • een beperkt bewegingsbereik.

De therapeut legt uit:

“We kunnen cupping gebruiken als een tijdelijke prikkel en daarna opnieuw testen of het heffen gemakkelijker gaat.”

Er wordt een goed verdraagbare vorm van cupping toegepast. Na de behandeling:

  • pijn: 3 op 10;
  • de arm kan gemakkelijker worden geheven.

De therapeut zegt niet:

“Zie je wel, de verkleving is los.”

De uitleg is:

“De behandeling heeft uw pijn en beweging op dit moment positief beïnvloed. Laten we deze verandering gebruiken om de beweging actief te oefenen.”

De patiënt voert vervolgens gerichte oefeningen uit. Na verloop van tijd wordt cupping minder vaak nodig.

Conclusie

De kwaliteit van een cuppingbehandeling wordt niet bepaald door:

  • het aantal cups;
  • de hoeveelheid vacuüm;
  • de donkerste huidreactie;
  • hoe spectaculair de behandeling eruitziet.

De professionele waarde zit vooral in:

  • klinisch redeneren;
  • een duidelijk behandeldoel;
  • passende dosering;
  • goede communicatie;
  • evaluatie van het effect.

Cupping kan bij sommige patiënten tijdelijk invloed hebben op:

  • pijn;
  • ervaren spanning;
  • bewegingsvrijheid.

Maar de techniek moet niet automatisch worden toegepast omdat een gebied pijnlijk of “vast” aanvoelt. De therapeut moet steeds vragen:

“Wat wil ik met deze interventie bereiken?”

en daarna:

“Heeft de interventie daadwerkelijk iets toegevoegd?”

Ook de uitleg rond cupping is belangrijk. Uitspraken over:

  • afvalstoffen;
  • ernstige verklevingen;
  • spieren die voortdurend moeten worden losgemaakt

kunnen verwachtingen en overtuigingen creëren die niet goed aansluiten bij de huidige wetenschap. Een betere benadering geeft de patiënt:

  • realistische informatie;
  • controle over de behandeling;
  • vertrouwen in bewegen;
  • een actieve rol in het herstel.

De meest professionele toepassing van cupping is daarom niet:

een cup plaatsen omdat het kan,

maar:

cupping doelgericht gebruiken wanneer het bij een individuele patiënt aantoonbaar iets toevoegt aan het behandelproces.

Professioneel aan de slag met cupping?

Bekijk de professionele cupping cups en sets van FasciaShop voor een doelgerichte toepassing in de behandelpraktijk.

Bekijk cupping producten

Wetenschappelijke bronnen

  • Benedetti, F. (2013). Placebo and the new physiology of the doctor-patient relationship. Physiological Reviews.
  • Cramer, H. et al. (2020). Cupping for Patients With Chronic Pain: A Systematic Review and Meta-Analysis. Journal of Pain.
  • Testa, M. & Rossettini, G. (2016). Enhance placebo, avoid nocebo: How contextual factors affect physiotherapy outcomes. Manual Therapy.
  • Wang, X. et al. (2020). Effect of Pressures and Durations of Cupping Therapy on Skin Blood Flow Responses. Frontiers in Bioengineering and Biotechnology.