Cupping bij spierpijn en myofasciale klachten

Cupping bij spierpijn en myofasciale klachten

Cupping wordt veel toegepast bij spierklachten. Sporters gebruiken cups na zware trainingen, terwijl therapeuten de techniek toepassen bij lokale spierpijn, gevoelige spiergebieden en klachten die vaak als myofasciaal worden omschreven. Patiënten zeggen na een behandeling regelmatig:

  • “De spier voelt losser.”
  • “De spanning is minder.”
  • “Ik kan gemakkelijker bewegen.”
  • “De spierpijn is afgenomen.”

Deze ervaringen kunnen reëel zijn. Maar betekenen ze ook dat cupping de spier zelf herstelt, een triggerpoint verwijdert of spierweefsel structureel verandert? Dat is veel minder duidelijk.

De huidige wetenschap geeft vooral aanwijzingen dat cupping bij sommige spier- en myofasciale klachten tijdelijk invloed kan hebben op pijn, gevoeligheid en bewegen. Voor claims over structureel spierherstel is aanzienlijk minder bewijs.

Waarom wordt cupping bij spierklachten gebruikt?

Spieren zijn een populair behandelgebied voor cupping. Cups worden bijvoorbeeld geplaatst rond:

  • de bovenste trapezius;
  • de rugspieren;
  • de hamstrings;
  • de quadriceps;
  • de kuitspieren.

De behandeling wordt vaak gebruikt bij een gevoel van:

  • spanning;
  • stijfheid;
  • vermoeidheid;
  • lokale spierpijn;
  • een zogenaamde spierknoop.

De gedachte is vaak dat de negatieve druk de spier “losmaakt” of de doorbloeding stimuleert. Wat direct gebeurt, is duidelijker. De cup veroorzaakt:

  • negatieve druk;
  • huidverplaatsing;
  • mechanische belasting van oppervlakkige weefsels;
  • sterke sensorische input;
  • lokale veranderingen in de huiddoorbloeding.

Hoe deze effecten vervolgens worden vertaald naar minder pijn of een gevoel van ontspanning is complexer.

Lokale spierpijn

Lokale spierpijn kan verschillende oorzaken hebben. Een spiergebied kan gevoelig zijn na:

  • overbelasting;
  • een ongebruikelijke activiteit;
  • herhaalde bewegingen;
  • langdurige statische belasting;
  • sport.

Maar pijn die in een spier wordt gevoeld, betekent niet automatisch dat er sprake is van aantoonbare spierschade. De pijnervaring wordt mede beïnvloed door:

  • lokale nociceptieve input;
  • gevoeligheid van het zenuwstelsel;
  • eerdere ervaringen;
  • slaap;
  • stress;
  • verwachtingen;
  • belasting en herstel.

Cupping kan een sterke nieuwe prikkel geven aan het pijnlijke gebied. Bij sommige patiënten kan hierdoor tijdelijk de ervaring van pijn of spanning veranderen. Systematische reviews naar cupping bij chronische musculoskeletale pijn laten vooral mogelijke kortetermijneffecten op pijn zien, terwijl de effecten op functie en de zekerheid van het bewijs minder overtuigend zijn (Cramer et al., 2020; Jia et al., 2025).

Delayed onset muscle soreness

Delayed onset muscle soreness, meestal afgekort als DOMS, is de spierpijn die vaak ontstaat na een ongebruikelijke of intensieve lichamelijke belasting. De klachten beginnen meestal niet direct tijdens de training, maar ontwikkelen zich in de uren daarna. Kenmerkend zijn:

  • spierpijn;
  • gevoeligheid;
  • stijfheid;
  • tijdelijk krachtsverlies;
  • soms verminderde bewegingsvrijheid.

DOMS wordt vaak gezien na een training met veel excentrische spierbelasting. Cupping wordt regelmatig gebruikt met het doel deze spierpijn te verminderen en het herstel te versnellen. Onderzoek naar cupping bij DOMS is echter nog relatief beperkt.

Een onderzoek van Song et al. (2025) onderzocht verschillende niveaus van negatieve druk bij experimenteel opgewekte DOMS en vond aanwijzingen dat de dosering van cupping invloed kan hebben op pijn en functioneel herstel. Dat is interessant, maar één onderzoek is onvoldoende om te concluderen dat cupping algemeen bewezen effectief is voor herstel na inspanning. Bovendien moet onderscheid worden gemaakt tussen:

minder spierpijn ervaren

en:

daadwerkelijk sneller biologisch herstellen van spierweefsel.

Die twee zijn niet automatisch hetzelfde.

Triggerpoints en gevoelige spiergebieden

Cupping wordt regelmatig toegepast op zogenaamde myofasciale triggerpoints. Een triggerpoint wordt meestal beschreven als een gevoelige plek in een gespannen spiergebied die bij druk herkenbare lokale of gerefereerde pijn kan veroorzaken. Over de precieze biologische aard van triggerpoints bestaat echter nog discussie.

In de praktijk kan een patiënt een duidelijk gevoelig gebied hebben zonder dat exact kan worden vastgesteld welke lokale structuur verantwoordelijk is voor de pijn. Onderzoek naar dry cupping bij triggerpoints en myofasciale pijn is beperkt. Een systematische review van Charles et al. (2019) onderzocht onder andere dry cupping bij myofasciale pijn en triggerpoints. De beschikbare studies waren beperkt en boden onvoldoende sterk bewijs om duidelijke conclusies te trekken over een specifiek effect van cupping.

Kleinere klinische studies beschrijven soms verbeteringen in:

  • pijn;
  • drukgevoeligheid;
  • bewegingsvrijheid;
  • functie.

Maar wanneer een gevoelige plek na cupping minder pijnlijk is, bewijst dit niet automatisch dat een triggerpoint fysiek is “verwijderd”.

Effect op pijn

Het meest aannemelijke klinische effect van cupping bij spierklachten is een mogelijke tijdelijke verandering van pijn. Dat kan samenhangen met verschillende processen:

  • sterke sensorische input vanuit de huid;
  • tijdelijke pijnmodulatie;
  • veranderde aandacht voor het lichaamsgebied;
  • verwachtingen;
  • behandelcontext.

De negatieve druk veroorzaakt een duidelijke mechanische prikkel. Het zenuwstelsel moet deze nieuwe sensorische informatie verwerken. Hierdoor kan de ervaring van het behandelde gebied tijdelijk veranderen. Een patiënt kan daardoor minder:

  • pijn;
  • spanning;
  • gevoeligheid

ervaren. Dat is een relevante klinische verandering, maar zegt nog niet precies welk onderliggend mechanisme verantwoordelijk is.

Effect op bewegingsvrijheid

Na cupping ervaren sommige patiënten een grotere bewegingsvrijheid. Bijvoorbeeld:

  • gemakkelijker de nek draaien;
  • verder vooroverbuigen;
  • meer enkelmobiliteit;
  • minder trekkend gevoel bij het rekken van een spier.

Een grotere bewegingsuitslag wordt soms uitgelegd als bewijs dat de spier langer is geworden. Dat is te eenvoudig. Bewegingsvrijheid wordt ook beïnvloed door:

  • pijn;
  • tolerantie voor rek;
  • verwachting van pijn;
  • sensorische input;
  • beschermend bewegingsgedrag.

Wanneer een beweging minder pijnlijk of minder bedreigend voelt, kan iemand verder bewegen zonder dat de spier structureel langer is geworden. Een verbetering van bewegingsvrijheid is dus klinisch relevant, maar geen directe meting van structurele spierverandering.

Verandert cupping werkelijk de spier?

Dit is een belangrijke vraag. Een cup grijpt in eerste instantie aan op:

  • de huid;
  • het subcutane weefsel;
  • oppervlakkige bindweefsellagen.

Biomechanische modellering van Tham et al. (2006) laat zien dat negatieve druk mechanische spanning veroorzaakt in huid en onderliggende weefsels. Maar hoeveel van deze mechanische belasting een specifieke spier bereikt en welke fysiologische veranderingen daar precies ontstaan, is onvoldoende duidelijk. Er is onvoldoende overtuigend bewijs dat cupping:

  • spiervezels structureel verlengt;
  • spierknopen mechanisch verwijdert;
  • beschadigde spiervezels sneller herstelt;
  • spiertonus voorspelbaar en langdurig verlaagt.

Dat betekent niet dat de patiënt geen verandering kan ervaren. De ervaring van een spiergebied kan veranderen zonder dat een grote structurele verandering in de spier zelf heeft plaatsgevonden.

Herstel na inspanning

Cupping is populair binnen de sportwereld. De bekende ronde verkleuringen zijn regelmatig zichtbaar bij topsporters. De techniek wordt gebruikt met als doel:

  • spierpijn verminderen;
  • herstel versnellen;
  • bewegingsvrijheid verbeteren;
  • sneller klaar zijn voor een volgende training.

Vooral de eerste claim — tijdelijke vermindering van spierpijn — is biologisch en klinisch voorstelbaar. Voor de bredere claim dat cupping het daadwerkelijke herstelproces van spierweefsel versnelt, is veel minder overtuigend bewijs. Herstel na inspanning wordt sterk beïnvloed door:

  • tijd;
  • slaap;
  • voeding;
  • trainingsbelasting;
  • herstel tussen trainingen;
  • algemene gezondheid.

Een herstelinterventie kan ervoor zorgen dat een sporter zich beter voelt zonder dat de biologische herstelduur van het spierweefsel noodzakelijk korter is geworden. Dit onderscheid is belangrijk.

Minder spierpijn betekent niet automatisch dat de spier volledig hersteld is.

Een sporter moet daarom niet uitsluitend op basis van tijdelijke pijnvermindering concluderen dat maximale belasting alweer verantwoord is.

Praktijkvoorbeeld

Een sporter heeft twee dagen na een zware training duidelijke spierpijn in de kuiten. De klachten passen bij DOMS. De sporter ervaart:

  • pijn bij traplopen;
  • stijfheid;
  • een trekkend gevoel bij bewegen.

De therapeut test vooraf een relevante beweging, bijvoorbeeld een squat of enkelbeweging. Vervolgens wordt een goed verdraagbare vorm van dry cupping toegepast. Na de behandeling ervaart de sporter:

  • minder pijn;
  • minder stijfheid;
  • gemakkelijker bewegen.

Wat kan worden geconcludeerd? Niet automatisch dat:

  • de spiervezels sneller zijn hersteld;
  • spierschade is gerepareerd;
  • afvalstoffen uit de spier zijn verwijderd.

Wel kan worden vastgesteld dat de sporter op dat moment minder klachten ervaart en gemakkelijker beweegt. De trainingsbelasting moet vervolgens nog steeds worden afgestemd op het totale herstel en niet uitsluitend op het tijdelijke gevoel na de behandeling.

Conclusie

Cupping wordt veel toegepast bij:

  • lokale spierpijn;
  • myofasciale klachten;
  • gevoelige spiergebieden;
  • triggerpoints;
  • spierpijn na inspanning.

De huidige wetenschap geeft vooral aanwijzingen dat cupping bij sommige patiënten tijdelijk invloed kan hebben op:

  • pijn;
  • gevoeligheid;
  • ervaren spierspanning;
  • bewegingsvrijheid.

Voor DOMS en sportherstel is het onderzoek nog beperkt. Recente studies zijn interessant, maar onvoldoende om te concluderen dat cupping het biologische herstel van spierweefsel aantoonbaar versnelt. Ook is onvoldoende bewezen dat cupping:

  • spieren letterlijk losmaakt;
  • triggerpoints mechanisch verwijdert;
  • spiervezels structureel verandert;
  • afvalstoffen uit spieren trekt.

Een patiënt of sporter kan zich na cupping wel degelijk beter voelen. De meest wetenschappelijk zorgvuldige conclusie is daarom:

Cupping kan mogelijk tijdelijk de ervaring van spierpijn, spanning en bewegen beïnvloeden. Of daarbij ook relevante structurele veranderingen in de spier of een versnelling van het biologische herstel optreden, weten we nog onvoldoende.

Binnen fysiotherapie en sportbegeleiding kan cupping daarom worden gebruikt als aanvullende interventie, mits het effect kritisch wordt geëvalueerd en de techniek niet wordt gepresenteerd als vervanging voor:

  • passende trainingsbelasting;
  • actief herstel;
  • slaap;
  • voeding;
  • geleidelijke opbouw van belastbaarheid.

De belangrijkste vraag is uiteindelijk niet alleen:

“Voelt de spier na cupping losser?”

maar ook:

“Leidt deze tijdelijke verandering tot beter bewegen en een verantwoorde terugkeer naar belasting?”

Professioneel aan de slag met cupping?

Bekijk de professionele cupping cups en sets van FasciaShop voor een doelgerichte toepassing in de behandelpraktijk.

Bekijk cupping producten

Wetenschappelijke bronnen

  • Charles, D. et al. (2019). A systematic review of manual therapy techniques, dry cupping and dry needling in the reduction of myofascial pain and myofascial trigger points. Journal of Bodywork and Movement Therapies.
  • Cramer, H. et al. (2020). Cupping for Patients With Chronic Pain: A Systematic Review and Meta-Analysis. Journal of Pain.
  • Jia, Y. et al. (2025). Effects of cupping therapy on chronic musculoskeletal pain and functional disability: A systematic review and meta-analysis. BMJ Open.
  • Song, X. et al. (2025). Effects of different negative pressure cupping interventions on delayed onset muscle soreness after high-intensity exercise. Frontiers in Sports and Active Living.
  • Tham, L.M., Lee, H.P. & Lu, C. (2006). Cupping: From a biomechanical perspective. Journal of Biomechanics.