Kinesiotape en placebo: werkt het dan niet echt?

Kinesiotape en placebo: werkt het dan niet echt?

Wanneer onderzoek laat zien dat kinesiotape niet beter werkt dan een placebo- of shamtape, wordt al snel geconcludeerd: “Dan werkt kinesiotape dus niet echt.” Maar zo eenvoudig is het niet. Een patiënt kan daadwerkelijk minder pijn ervaren, gemakkelijker bewegen of meer vertrouwen hebben tijdens een activiteit, ook wanneer een onderzoek geen groot verschil vindt tussen kinesiotape en een controlebehandeling. Dat betekent niet automatisch dat het effect is ingebeeld.

Om onderzoek naar kinesiotape goed te begrijpen, moeten we onderscheid maken tussen specifieke effecten, contextuele effecten en het natuurlijke verloop van klachten. Bovendien is bij kinesiotape een belangrijke vraag: bestaat er eigenlijk wel zoiets als een volledig inerte shamtape? Wat is placebo eigenlijk? Het woord placebo wordt vaak gebruikt alsof het betekent dat een behandeling nep is of dat de patiënt zich een verbetering inbeeldt. Dat is een te eenvoudige voorstelling.

Binnen modern onderzoek worden placebo- en contextuele effecten gezien als werkelijke veranderingen die kunnen ontstaan door de context waarin een behandeling plaatsvindt. Verwachtingen, eerdere ervaringen, communicatie, vertrouwen en de betekenis die iemand aan een behandeling geeft, kunnen invloed hebben op onder andere pijn en symptoombeleving.

Rossettini et al. (2020) beschrijven placebo- en nocebo-effecten als psychoneurobiologische verschijnselen waarbij psychologische, perceptuele en neurofysiologische processen betrokken zijn. Een placebo-effect betekent dus niet dat iemand doet alsof er minder pijn is. De ervaring van pijn kan daadwerkelijk veranderen. Tegelijkertijd moet een verbetering na een behandeling niet automatisch volledig aan placebo worden toegeschreven. Klachten kunnen ook veranderen door: het natuurlijke herstel; normale variatie van symptomen; verandering in activiteit; andere behandelingen; verwachtingen; specifieke effecten van de interventie;

een combinatie van deze factoren. De totale verandering die een patiënt ervaart, heeft meestal niet één enkele oorzaak.

Waarom iedere tape-interventie context heeft

Geen enkele behandeling vindt plaats in een vacuüm. Wanneer een therapeut kinesiotape aanbrengt, gebeurt er veel meer dan alleen het plakken van een elastische strook materiaal op de huid. De patiënt: ziet de tape; voelt de tape; krijgt uitleg; heeft verwachtingen; heeft mogelijk eerdere ervaringen met taping; wordt behandeld door iemand die vertrouwen kan uitstralen; krijgt aandacht voor het pijnlijke lichaamsgebied.

De kleur, vorm en zichtbaarheid van kinesiotape kunnen de behandeling bovendien een duidelijke betekenis geven. Testa en Rossettini (2016) beschrijven dat iedere fysiotherapeutische interventie zowel specifieke als contextuele componenten bevat. Onder andere de therapeut, de patiënt, de therapeutische relatie, de behandeling zelf en de behandelomgeving kunnen invloed hebben op de uitkomst. Dat geldt voor oefentherapie, manuele therapie en medicatie, maar ook voor kinesiotape.

De aanwezigheid van contextuele effecten betekent daarom niet dat een behandeling waardeloos is. Het betekent dat de totale behandeluitkomst door meer wordt bepaald dan alleen het veronderstelde mechanische effect van de tape.

Specifieke en contextuele effecten

Bij kinesiotape kan theoretisch onderscheid worden gemaakt tussen specifieke effecten en contextuele effecten. Specifieke effecten zouden bijvoorbeeld kunnen ontstaan door: mechanische belasting van de huid; voortdurende sensorische prikkeling; verandering van bewegingswaarneming; invloed op lokale pijnperceptie; mechanische eigenschappen van een specifieke tapetoepassing. Contextuele effecten kunnen onder andere samenhangen met: verwachtingen van de patiënt; eerdere positieve ervaringen; vertrouwen in de therapeut; de uitleg bij de behandeling; het ritueel van het aanbrengen; de zichtbaarheid van de tape.

In de praktijk zijn deze effecten moeilijk volledig van elkaar te scheiden. Stel dat iemand na het tapen van de knie minder pijn ervaart tijdens traplopen. Komt dat door de richting waarin de tape is aangebracht? Door de mechanische prikkel op de huid? Door een veranderd bewegingsgevoel? Door de verwachting dat de tape ondersteuning geeft?

Waarschijnlijk kan het effect bij sommige patiënten uit meerdere componenten tegelijk bestaan. Daarom is de vraag “is het specifiek of placebo?” vaak minder eenvoudig te beantwoorden dan zij lijkt.

Sham taping in onderzoek

Om te onderzoeken of een specifieke kinesiotapetechniek meer effect heeft dan de behandelcontext alleen, wordt in klinische studies vaak gebruikgemaakt van sham taping. Een controlegroep krijgt dan bijvoorbeeld: tape zonder de voorgeschreven rek; tape in een andere richting; een andere vorm van tape; een toepassing die volgens de onderzochte tapemethode geen therapeutisch effect zou moeten hebben.

Wanneer de echte kinesiotape vervolgens duidelijk beter werkt dan de shamtape, kan dit een aanwijzing zijn voor een specifiek effect van de onderzochte toepassing. Wanneer beide groepen ongeveer evenveel verbeteren, wordt vaak geconcludeerd dat de specifieke tapetechniek geen duidelijke meerwaarde heeft boven de controle-interventie.

Zo vonden Luz et al. (2015) bij mensen met chronische lage rugpijn geen overtuigende meerwaarde van Kinesio Taping ten opzichte van een placebotaping met Micropore. Beide groepen lieten vergelijkbare veranderingen zien. Ook de systematische review van Parreira et al. (2014) concludeerde dat Kinesio Taping bij verschillende musculoskeletale aandoeningen over het algemeen niet duidelijk beter presteerde dan sham- of andere controle-interventies. Wanneer verschillen werden gevonden, waren deze vaak klein of gebaseerd op studies van beperkte kwaliteit.

Andere onderzoeken vinden soms wel verschillen tussen kinesiotape en sham taping. De resultaten zijn dus niet voor iedere aandoening en toepassing hetzelfde.

Is een shamtape werkelijk inert?

Hier ontstaat een belangrijk onderzoeksprobleem. Kun je eigenlijk tape op de huid plakken zonder dat die tape iets doet? Zelfs een shamtape: raakt de huid aan; beweegt mee tijdens activiteiten; geeft mechanische prikkels; stimuleert sensoren in de huid; is zichtbaar; kan verwachtingen oproepen. Een tape zonder rek is daarom niet automatisch fysiologisch inert.

Naugle et al. (2021) onderzochten verschillende hoeveelheden spanning bij kinesiotape en merkten expliciet op dat tape met minimale spanning nog steeds sensorische afferente prikkeling kan geven. Een dergelijke toepassing is daardoor mogelijk geen echte fysiologisch inerte placebo. Dit maakt onderzoek naar kinesiotape ingewikkeld. Wanneer zowel de “echte” kinesiotape als de shamtape sensorische input geeft, vergelijkt een onderzoek mogelijk niet: werkzame tape versus niets maar eerder: de ene manier van tapen versus een andere manier van tapen.

Wanneer vervolgens geen verschil wordt gevonden, betekent dit niet automatisch dat beide toepassingen helemaal niets doen. Het kan ook betekenen dat de specifieke richting of hoeveelheid rek geen relevante meerwaarde heeft boven het algemene effect van tape op de huid. Dat onderscheid is belangrijk. Verwachtingen en zichtbaarheid van tape Kinesiotape is een opvallende interventie.

Een tablet kan relatief eenvoudig worden vergeleken met een identiek uitziende placebotablet. Bij kinesiotape is blindering veel moeilijker. De patiënt kan: de tape zien; de spanning voelen; eerdere ervaring met taping hebben; op internet informatie over tapetechnieken hebben gezien. Ook onderzoekers en therapeuten kunnen vaak zien welke behandeling wordt toegepast. Hierdoor is volledige blindering moeilijk.

Bovendien kan de zichtbaarheid van de tape zelf betekenis krijgen. Een sporter kan de tape bijvoorbeeld associëren met ondersteuning, bescherming of professionele sport. Een andere patiënt kan juist denken dat tape alleen wordt gebruikt wanneer een lichaamsdeel instabiel of beschadigd is. Dezelfde tape kan daardoor bij verschillende mensen verschillende verwachtingen oproepen.

Rossettini et al. (2018) beschrijven hoe dergelijke contextuele factoren bij musculoskeletale pijn placebo- en nocebo-effecten kunnen beïnvloeden. De uitleg van de therapeut speelt hierbij een belangrijke rol.

Placebo betekent niet “tussen de oren”

Wanneer pijn verandert door verwachtingen of context, betekent dit niet dat de oorspronkelijke pijn niet echt was. Pijn is geen directe meter van weefselschade. Het is een complexe ervaring waarbij informatie uit het lichaam voortdurend wordt verwerkt in samenhang met onder andere: eerdere ervaringen; verwachtingen; aandacht; emoties; de omgeving; de betekenis van een situatie.

Placebo- en nocebo-effecten kunnen via verschillende neurobiologische processen invloed hebben op pijn en andere symptomen (Colloca & Barsky, 2020; Rossettini et al., 2020). Een patiënt die na het aanbrengen van kinesiotape minder pijn ervaart, kan dus een werkelijke verandering in pijn ervaren, ook wanneer niet bewezen kan worden dat de tape een spier mechanisch “activeert” of een gewricht “corrigeert”. Dat onderscheid is essentieel.

De ervaring kan echt zijn, terwijl de traditionele verklaring voor die ervaring mogelijk niet klopt.

Waarom een patiënt toch echt verschil kan ervaren

Stel dat een patiënt met kniepijn vóór het tapen pijn ervaart tijdens een squat. Na het aanbrengen van kinesiotape voelt dezelfde beweging duidelijk prettiger. Die verandering kan verschillende verklaringen hebben. De tape kan: extra sensorische informatie geven; de aandacht voor het lichaamsgebied veranderen; het gevoel van ondersteuning vergroten; de verwachting van pijn beïnvloeden; het vertrouwen in de beweging vergroten. Daarnaast kan normale variatie een rol spelen.

Voor de patiënt blijft de praktische observatie hetzelfde: de beweging voelt op dat moment beter. Dat effect hoeft niet te worden ontkend omdat het precieze mechanisme onzeker is. Wel is het belangrijk om geen onbewezen verklaring als feit te presenteren. Wanneer een patiënt minder pijn heeft na taping, betekent dit bijvoorbeeld niet automatisch dat: een gewricht is teruggezet; een spier opnieuw is geactiveerd; fascia is losgemaakt; de bloedsomloop aantoonbaar is verbeterd.

Een klinisch effect en een theoretische verklaring zijn twee verschillende zaken.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Voor de praktijk betekent dit dat kinesiotape pragmatisch en eerlijk kan worden gebruikt. Een therapeut kan bijvoorbeeld zeggen: “We weten dat de effecten van kinesiotape per persoon verschillen en dat niet alle traditionele verklaringen goed bewezen zijn. De tape geeft wel een duidelijke prikkel aan de huid en sommige mensen ervaren daardoor tijdelijk minder pijn of meer vertrouwen tijdens bewegen. We kunnen testen of dat bij jou ook het geval is.”

Vervolgens kan een relevante activiteit vóór en na het tapen worden getest. Bijvoorbeeld: Laat de patiënt een pijnlijke of beperkte beweging uitvoeren. Leg pijn, functie of vertrouwen kort vast. Breng de tape aan. Herhaal dezelfde beweging.

Bespreek wat er verandert. Evalueer later opnieuw of het effect relevant blijft. Wanneer de patiënt geen verschil ervaart, is er weinig reden om de tape automatisch te blijven gebruiken. Wanneer de patiënt wel een relevant verschil ervaart, kan de tape tijdelijk worden ingezet om bijvoorbeeld gemakkelijker te bewegen, oefenen, werken of sporten. De therapeut hoeft daarvoor geen onbewezen mechanisme te beloven.

Het is bovendien belangrijk om contextuele effecten niet bewust te versterken met misleiding. Een positieve en realistische uitleg is iets anders dan beweren dat de tape aantoonbaar een gewricht corrigeert wanneer daarvoor geen overtuigend bewijs bestaat.

Conclusie

De vraag “Is kinesiotape placebo?” heeft geen eenvoudig ja-of-nee-antwoord. Onderzoek laat zien dat kinesiotape bij verschillende aandoeningen vaak niet duidelijk beter werkt dan sham taping. Dat maakt sterke claims over specifieke tapetechnieken, exacte trekrichtingen en unieke mechanische correcties moeilijk te verdedigen.

Tegelijkertijd is een shamtape waarschijnlijk niet altijd volledig inert. Ook tape zonder specifieke techniek raakt de huid, geeft sensorische informatie en vindt plaats binnen een therapeutische context. Een patiënt kan daarom werkelijk minder pijn of meer vertrouwen tijdens bewegen ervaren, zonder dat daarmee automatisch bewezen is dat de traditionele theoretische verklaring achter de tapetechniek klopt.

Placebo betekent niet “ingebeeld” en contextuele effecten betekenen niet dat een behandeling nep is. Ze laten juist zien dat een behandelresultaat ontstaat uit een samenspel van lichamelijke prikkels, verwachtingen, eerdere ervaringen, communicatie en de therapeutische context. Voor de praktijk is daarom een nuchtere benadering passend: gebruik kinesiotape wanneer het veilig is, een duidelijk doel heeft en aantoonbaar iets toevoegt voor de individuele patiënt. Wees tegelijkertijd terughoudend met sterke verklaringen over mechanismen die wetenschappelijk onvoldoende zijn aangetoond.

De belangrijkste vraag is uiteindelijk niet alleen: “Werkt kinesiotape beter dan placebo?” maar ook: “Helpt deze toepassing deze patiënt om met minder klachten of meer vertrouwen te bewegen, en draagt dat bij aan het uiteindelijke behandeldoel?”

Professionele kinesiotape voor jouw praktijk

Bekijk ons assortiment professionele kinesiotape voor fysiotherapie, sportzorg en revalidatie.

Bekijk kinesiotape

Wetenschappelijke bronnen

  • Colloca, L. & Barsky, A.J. (2020). Placebo and Nocebo Effects. New England Journal of Medicine.
  • Luz, M.A. et al. (2015). Kinesio Taping® is not better than placebo in reducing pain and disability in patients with chronic non-specific low back pain: a randomized controlled trial. Brazilian Journal of Physical Therapy.
  • Naugle, K.E. et al. (2021). Effect of different Kinesio tape tensions on experimentally-induced thermal and muscle pain in healthy adults. PLOS ONE.
  • Parreira, P.C.S. et al. (2014). Current evidence does not support the use of Kinesio Taping in clinical practice: a systematic review. Journal of Physiotherapy.
  • Rossettini, G., Carlino, E. & Testa, M. (2018). Clinical relevance of contextual factors as triggers of placebo and nocebo effects in musculoskeletal pain. BMC Musculoskeletal Disorders.
  • Rossettini, G. et al. (2020). Context matters: the psychoneurobiological determinants of placebo, nocebo and context-related effects in physiotherapy. Archives of Physiotherapy.
  • Testa, M. & Rossettini, G. (2016). Enhance placebo, avoid nocebo: How contextual factors affect physiotherapy outcomes. Manual Therapy.