Bij het aanbrengen van kinesiotape wordt vaak gesproken over percentages rek: 0%, 10%, 25%, 50% of zelfs meer. In cursussen en handleidingen worden deze percentages regelmatig gekoppeld aan verschillende tapetechnieken. Maar hoe nauwkeurig is zo’n rekpercentage eigenlijk? En geeft meer spanning ook meer effect?
De hoeveelheid rek beïnvloedt de mechanische belasting van de tape en de huid. Toch is er geen overtuigend bewijs dat één specifiek rekpercentage voor iedere klacht of toepassing optimaal is. Bovendien blijkt uit onderzoek dat kinesiotapes onderling verschillen in elasticiteit en dat het voor therapeuten lastig is om een gekozen rekpercentage exact te reproduceren (Selva et al., 2019). Rekpercentages zijn daarom vooral een praktische richtlijn en geen exacte dosering zoals bij een geneesmiddel.
Een rekpercentage geeft aan hoeveel langer een stuk tape wordt gemaakt ten opzichte van zijn oorspronkelijke lengte. Een eenvoudig voorbeeld: Een stuk tape is in rust 10 centimeter lang. bij 0% extra rek blijft het 10 centimeter; bij 25% rek wordt het 12,5 centimeter; bij 50% rek wordt het 15 centimeter; bij 100% rek wordt het 20 centimeter. In theorie lijkt dit eenvoudig. In de praktijk ontstaat echter snel verwarring.
Niet iedere fabrikant gebruikt dezelfde terminologie. Ook kan een percentage worden uitgedrukt als percentage van de oorspronkelijke lengte of als percentage van de maximaal mogelijke rek van de tape. Dat zijn niet noodzakelijk dezelfde waarden. Daarnaast kan kinesiotape al enige spanning bevatten wanneer het materiaal van de rol wordt afgerold. Deze zogenaamde paper-off tension of voorrek kan per product verschillen.
Daarom is ‘25% rek’ niet altijd een volledig gestandaardiseerde mechanische belasting.
In de praktijk is het vaak bruikbaarder om naast percentages ook te denken in categorieën.
De tape wordt zonder bewust toegevoegde spanning aangebracht. De natuurlijke spanning van het materiaal kan nog steeds een kleine mechanische invloed geven. Deze toepassing wordt vaak gebruikt wanneer: de huid zo min mogelijk belast moet worden; een groot oppervlak wordt getapet; comfort belangrijk is; de tape vooral als lichte sensorische prikkel wordt gebruikt.
De tape wordt beperkt uitgerekt voordat deze op de huid wordt aangebracht. In veel tapemethoden wordt hierbij gedacht aan ongeveer 10 tot 25% rek. Dit kan voldoende zijn om een merkbare mechanische en sensorische prikkel te geven zonder dat de huid sterk wordt belast.
Bij hogere percentages ontstaat meer spanning in het elastische materiaal. Hierdoor kunnen grotere trekkrachten op de huid ontstaan. Dat betekent echter niet automatisch dat de therapeutische werking groter wordt. Hoge spanning kan ook nadelen hebben, zoals: meer trekkracht op de huid; minder draagcomfort; grotere kans op irritatie; loslaten van de tape; een onaangenaam of beperkend gevoel. De keuze voor rek moet daarom afhangen van het doel van de toepassing en de reactie van de patiënt.
Kinesiotape kleeft aan de huid. Wanneer de tape wordt uitgerekt en vervolgens vastgeplakt, wil het elastische materiaal gedeeltelijk terugkeren naar zijn oorspronkelijke lengte. Hierdoor ontstaan krachten op de huid. Tijdens bewegen verandert deze interactie voortdurend. De tape kan: aan de huid trekken; lokale huidverplaatsing beïnvloeden; de vervorming van de huid veranderen; extra sensorische informatie geven.
Onderzoek met beeldvorming en biomechanische metingen laat zien dat kinesiotape daadwerkelijk invloed kan hebben op de vervorming van de huid en onderliggende oppervlakkige weefsels (Pamuk & Yucesoy, 2015; He et al., 2022). De uiteindelijke belasting wordt echter niet alleen bepaald door het rekpercentage. Ook de positie van het lichaamsdeel tijdens het aanbrengen is belangrijk.
Wanneer de huid eerst wordt verlengd door bijvoorbeeld een gewricht te buigen en de tape vervolgens zonder extra rek wordt aangebracht, kan bij terugkeer naar de neutrale positie alsnog duidelijke huidvervorming ontstaan. Rek op de tape en rek van de huid zijn dus niet hetzelfde.
Een veelvoorkomende gedachte is dat meer rek een sterker therapeutisch effect geeft. De wetenschap ondersteunt deze eenvoudige dosis-responsrelatie niet. Craighead et al. onderzochten verschillende spanningen van kinesiotape, waaronder 0%, 25%, 50% en 100% relatieve spanning. De onderzoekers vonden een bescheiden verandering in de doorbloeding van de huid, maar geen duidelijke relatie waarbij meer spanning automatisch een groter effect gaf (Craighead et al., 2017).
Ook onderzoek naar experimenteel opgewekte spierpijn laat zien dat meer spanning niet noodzakelijk beter is. Naugle et al. vonden in hun experimentele studie een pijnmodulerend effect bij 25% van de maximale tapespanning, terwijl minimale spanning en 75% spanning geen vergelijkbaar effect gaven (Naugle et al., 2021).
Eén experimentele studie is uiteraard onvoldoende om 25% rek als universeel optimaal te beschouwen. Het onderzoek laat vooral zien dat de relatie tussen spanning en effect waarschijnlijk niet lineair is. Meer rek betekent dus niet automatisch: meer pijnvermindering; meer spieractivatie; meer proprioceptieve input; een groter effect op fascia; een beter klinisch resultaat.
Kinesiotape wordt vaak gedurende meerdere uren of dagen gedragen. Draagcomfort is daarom een belangrijk onderdeel van de toepassing. Een tape die technisch volgens een protocol is aangebracht, maar voortdurend trekt, jeukt of irriteert, is in de praktijk weinig bruikbaar. Sterkere rek kan de mechanische belasting van de huid vergroten. Dit kan vooral merkbaar zijn: bij grote bewegingen; rond gewrichten; op gevoelige huid; aan de uiteinden van de tape; wanneer de tape meerdere dagen wordt gedragen.
De uiteinden, ook wel ankers genoemd, worden daarom meestal zonder extra rek aangebracht. Dit vermindert de lokale trekkracht aan de randen van de tape. De patiënt moet de tape kunnen voelen, maar een sterk trekkend, pijnlijk of branderig gevoel is geen teken dat de tape ‘extra goed werkt’.
Kinesiotape maakt langdurig contact met de huid. Huidreacties kunnen ontstaan door verschillende factoren, waaronder: de kleeflaag; warmte en transpiratie; wrijving; langdurige draagtijd; individuele gevoeligheid; mechanische trekkracht op de huid. Te veel spanning kan de mechanische belasting vergroten en bijdragen aan roodheid, irritatie of blaarvorming. Een huidreactie hoeft echter niet altijd een allergische reactie te zijn. Ook mechanische irritatie kan een rol spelen.
Bij jeuk, een branderig gevoel, toenemende roodheid, blaren of duidelijke huidirritatie moet de tape worden verwijderd. Bij patiënten met een gevoelige of kwetsbare huid is extra voorzichtigheid nodig. Meer spanning gebruiken om ‘meer effect’ te bereiken is daarom niet alleen onvoldoende onderbouwd, maar kan ook de huidbelasting onnodig vergroten. Hoe reproduceerbaar is een rekpercentage? Dit is een belangrijk praktisch probleem.
Een therapeut kan denken dat hij 25% rek aanbrengt, terwijl de werkelijke rek hoger of lager is. De volgende keer kan dezelfde therapeut bij dezelfde techniek opnieuw een andere spanning gebruiken. Selva et al. onderzochten de reproduceerbaarheid van kinesiotapetoepassingen en de mechanische eigenschappen van verschillende tapes. Zij vonden relevante verschillen tussen merken in onder andere elasticiteit, voorrek en mechanische eigenschappen. Ook bleek dat het reproduceren van een specifieke hoeveelheid rek in de praktijk lastig is (Selva et al., 2019).
Dat heeft meerdere oorzaken: verschillende merken rekken anders; de beginlengte van het stuk tape verschilt; handmatig rekken is moeilijk exact te doseren; de kracht waarmee tape wordt uitgerekt varieert; tape kan tijdens het aanbrengen iets terugveren; de positie van het lichaamsdeel beïnvloedt de uiteindelijke huidbelasting. Een rekpercentage moet daarom niet worden gezien als een exact reproduceerbare dosering.
Voor onderzoek is dit eveneens een probleem. Twee studies die beide ‘50% rek’ gebruiken, hoeven mechanisch niet exact dezelfde interventie toe te passen.
Omdat rekpercentages niet volledig reproduceerbaar zijn, blijven techniek en klinische ervaring belangrijk. Een ervaren therapeut leert niet alleen hoeveel een tape ongeveer wordt uitgerekt, maar kijkt ook naar: het doel van de toepassing; de lichaamsregio; de beweeglijkheid van de huid; de positie waarin wordt getapet; het comfort van de patiënt; de reactie van de huid; wat er tijdens bewegen gebeurt. Daarbij is meer niet automatisch beter.
Voor veel toepassingen kan een relatief geringe hoeveelheid rek al voldoende zijn om de tape voelbaar te maken en mechanische interactie met de huid te veroorzaken. Het is daarom verstandig om de laagste hoeveelheid spanning te gebruiken die past bij het doel van de toepassing, in plaats van standaard zoveel mogelijk rek aan te brengen.
Ook helpt een consistente werkwijze. Door steeds dezelfde tape, uitgangspositie en manier van meten en aanbrengen te gebruiken, kan een therapeut de toepassing beter reproduceerbaar maken.
Een patiënt met schouderklachten krijgt kinesiotape aangebracht als aanvullende sensorische ondersteuning tijdens bewegen. De therapeut kan ervoor kiezen de arm in een bepaalde positie te brengen en de tape met weinig extra rek aan te brengen. Wanneer de arm terugkeert naar de uitgangspositie, verandert de spanning tussen de tape en de huid. De patiënt voelt de tape tijdens het heffen van de arm, maar ervaart geen hinder of sterke trekkracht.
Het is in deze situatie niet noodzakelijk om 50% of 75% rek te gebruiken om ‘meer effect’ te krijgen. Sterkere spanning kan de huidbelasting vergroten zonder dat is aangetoond dat het klinische resultaat daardoor beter wordt. De reactie van de patiënt en het doel van de toepassing zijn daarom belangrijker dan het streven naar een zo hoog mogelijk rekpercentage.
De hoeveelheid rek is een belangrijke technische variabele bij het aanbrengen van kinesiotape, maar rekpercentages moeten niet nauwkeuriger worden voorgesteld dan ze in werkelijkheid zijn. Een percentage zoals 25% of 50% is in de praktijk een benadering. Verschillen tussen tapeproducten, de manier van aanbrengen en de positie van het lichaamsdeel beïnvloeden de werkelijke mechanische belasting van de huid.
De huidige wetenschap laat niet zien dat meer spanning automatisch een groter therapeutisch effect geeft. Een hogere spanning kan juist leiden tot meer huidbelasting en minder draagcomfort. Praktisch betekent dit: bepaal eerst het doel van de tape; gebruik niet automatisch meer rek voor meer effect; houd rekening met de positie en rek van de huid; breng ankers doorgaans zonder extra spanning aan; controleer comfort en huidreactie; werk zo consistent mogelijk.
Kinesiotape is geen behandeling waarbij een exact rekpercentage kan worden gedoseerd zoals een geneesmiddel. De genoemde percentages zijn vooral praktische richtlijnen. Een zorgvuldige techniek, een duidelijke behandeldoelstelling en de reactie van de patiënt zijn uiteindelijk belangrijker dan het exact proberen te bereiken van één theoretisch percentage.
Bekijk ons assortiment professionele kinesiotape voor fysiotherapie, sportzorg en revalidatie.
Bekijk kinesiotape