De toekomst van kinesiotape onderzoek

De toekomst van kinesiotape-onderzoek

Na tientallen jaren onderzoek weten we inmiddels veel meer over kinesiotape dan in de beginperiode. Tegelijkertijd zijn nog opvallend veel vragen onbeantwoord. Bij sommige klachten worden kleine of kortdurende effecten gevonden op pijn, functie of zwelling. Bij andere toepassingen blijkt kinesiotape niet duidelijk beter te werken dan een sham- of controlebehandeling. Ook zijn veel oorspronkelijke verklaringen over het activeren van spieren, corrigeren van gewrichten of optillen van de huid minder stevig bewezen dan vroeger werd aangenomen.

Dat betekent niet dat het onderzoek naar kinesiotape is afgerond. Integendeel. Nieuwe onderzoeksmethoden bieden mogelijkheden om veel preciezer te onderzoeken wat er daadwerkelijk gebeurt wanneer elastische tape op een bewegend menselijk lichaam wordt aangebracht. De toekomst ligt waarschijnlijk minder in de vraag “Werkt kinesiotape wel of niet?” en meer in vragen als: Wat doet tape precies, bij welke patiënt, onder welke omstandigheden en met welk behandeldoel?

Betere sham-controles

Een van de grootste problemen binnen onderzoek naar kinesiotape is het ontwikkelen van een goede placebo- of shamcontrole. In veel studies krijgt de controlegroep bijvoorbeeld: tape zonder rek; tape in een andere richting; een kortere strook tape; een zogenaamd niet-therapeutisch tapepatroon. Maar is zo’n shamtape werkelijk inactief? Ook tape zonder specifieke techniek: raakt de huid aan; beweegt mee met het lichaam; geeft sensorische informatie; kan verwachtingen oproepen; is zichtbaar voor de patiënt.

Zoals besproken door Naugle et al. (2021) kan zelfs tape met minimale spanning sensorische afferente input geven. Een zogenaamde placebotape is daardoor mogelijk zelf al een interventie. Toekomstig onderzoek moet daarom beter onderscheid maken tussen verschillende onderzoeksvragen. Wil men onderzoeken of een specifieke tapetechniek beter werkt dan een andere manier van tapen? Dan kan shamtaping geschikt zijn.

Wil men onderzoeken wat het totale effect van tape op de huid is? Dan kan een vergelijking met geen tape of gebruikelijke zorg noodzakelijk zijn. Idealiter worden meerdere groepen gebruikt, bijvoorbeeld: een specifieke kinesiotapetoepassing; een shamtapetoepassing; geen tape of gebruikelijke behandeling. Zo kan beter worden onderzocht welke onderdelen van het effect samenhangen met de specifieke techniek en welke met het algemene dragen van tape.

Objectiever meten van huidverplaatsing

Een veelgehoorde verklaring is dat kinesiotape de huid optilt of verplaatst. Op foto’s zijn soms duidelijk huidplooien zichtbaar, maar dat vertelt nog niet precies wat er onder de huid gebeurt. Moderne beeldvorming kan helpen om huidverplaatsing objectiever te meten.

Pamuk en Yucesoy (2015) gebruikten MRI om veranderingen na het aanbrengen van kinesiotape te onderzoeken. Zij vonden dat vervormingen niet uitsluitend beperkt bleven tot het oppervlakkige gebied direct onder de tape, maar heterogeen door het onderzochte weefsel konden optreden. Dit type onderzoek is interessant omdat het verder gaat dan alleen kijken naar de buitenkant van de huid. Toekomstig onderzoek kan bijvoorbeeld gebruikmaken van: driedimensionale beeldanalyse; digitale beeldcorrelatie; motion tracking van de huid; MRI; echografie; geautomatiseerde analyse van huidplooien.

Daarmee kan nauwkeuriger worden onderzocht hoeveel de huid daadwerkelijk verplaatst en hoe deze beweging verandert tijdens lopen, buigen of andere activiteiten.

Echografie en fasciale glijlagen

Echografie biedt interessante mogelijkheden om weefsels tijdens beweging te onderzoeken. Met moderne musculoskeletale echografie kunnen onder andere verschillende oppervlakkige weefsellagen en hun beweging ten opzichte van elkaar zichtbaar worden gemaakt.

Onderzoek van Langevin et al. (2011) liet bijvoorbeeld zien dat met echografie verschillen in schuifbeweging tussen fasciale lagen kunnen worden onderzocht. Dit onderzoek ging niet specifiek over kinesiotape, maar de gebruikte methodologie is relevant voor toekomstig tapeonderzoek. Een interessante onderzoeksvraag is: Verandert kinesiotape daadwerkelijk de beweging tussen huid, subcutaan weefsel en oppervlakkige fasciale lagen?

Daarbij moet worden voorkomen dat iedere gemeten verandering automatisch als therapeutisch gunstig wordt beschouwd. Zelfs wanneer beeldvorming laat zien dat weefsellagen anders bewegen, blijven vervolgvragen noodzakelijk: Hoe groot is de verandering? Hoe lang blijft deze bestaan? Is de verandering reproduceerbaar? Heeft deze verandering verband met pijn of functie?

Is meer glijbeweging altijd beter? Beeldvorming kan een mechanisme zichtbaar maken, maar bewijst niet automatisch dat dit mechanisme klinisch relevant is.

Bewegingsanalyse tijdens het dragen van tape

Veel onderzoeken meten pijn of bewegingsuitslagen vóór en na het aanbrengen van tape. Moderne bewegingsanalyse kan veel gedetailleerder onderzoeken wat er tijdens een activiteit gebeurt. Denk aan: driedimensionale bewegingsanalyse; krachtplaten; draagbare bewegingssensoren; accelerometers; inertial measurement units (IMU’s); drukmetingen; elektromyografie. Hiermee kan bijvoorbeeld worden onderzocht of iemand tijdens hardlopen, springen of traplopen daadwerkelijk anders beweegt met tape.

Ook hier is nuance belangrijk. Een kleine verandering in een gewrichtshoek betekent niet automatisch dat een beweging is “gecorrigeerd”. Menselijke beweging kent veel normale variatie en er bestaat zelden één perfecte bewegingsstrategie. Toekomstig onderzoek zou daarom minder moeten zoeken naar de vraag of tape een lichaam naar één theoretisch ideale positie brengt en meer naar de vraag of tape een functioneel relevante verandering veroorzaakt. Kan iemand bijvoorbeeld: langer lopen; met minder pijn bewegen; meer vertrouwen ervaren; een sporttaak beter uitvoeren; gemakkelijker deelnemen aan revalidatie?

Die uitkomsten zijn uiteindelijk relevanter dan een minimale verandering in één biomechanische variabele.

Sensorische en neurofysiologische effecten

Een van de meest interessante onderzoeksrichtingen is de mogelijke sensorische invloed van kinesiotape. De huid bevat verschillende receptoren die reageren op aanraking, druk, rek en beweging. Wanneer tape gedurende uren of dagen op de huid zit, ontstaat een voortdurende mechanische interactie tussen tape en huid. Het is daarom aannemelijk dat kinesiotape sensorische informatie geeft. De moeilijkere vraag is wat het zenuwstelsel vervolgens met deze informatie doet.

Toekomstig onderzoek kan zich richten op mogelijke veranderingen in: tactiele waarneming; proprioceptie; bewegingsperceptie; pijnmodulatie; lichaamsrepresentatie; motorische controle. Onderzoek van Naugle et al. (2021) naar verschillende tapespanningen en experimenteel opgewekte pijn illustreert hoe kinesiotape vanuit een sensorisch en neurofysiologisch perspectief kan worden onderzocht.

Ook de relatie tussen hoeveelheid rek en sensorische respons verdient meer aandacht. Mogelijk is niet alleen de vraag waar de tape wordt aangebracht relevant, maar ook hoe groot en hoe voorspelbaar de sensorische prikkel werkelijk is.

AI en beeldanalyse

Kunstmatige intelligentie kan in de toekomst een rol spelen bij het analyseren van grote hoeveelheden beeld- en bewegingsdata. Met geautomatiseerde beeldanalyse zou bijvoorbeeld kunnen worden onderzocht: hoeveel de huid verplaatst; hoe huidplooien zich tijdens beweging ontwikkelen; hoe zwelling verandert; hoe een litteken zich in de tijd ontwikkelt; of bewegingspatronen vóór en na taping veranderen.

Traditioneel worden dergelijke metingen vaak handmatig uitgevoerd. Dat kost tijd en kan gevoelig zijn voor verschillen tussen onderzoekers. AI kan mogelijk helpen om patronen automatisch en reproduceerbaar te herkennen. Een toekomstige studie zou bijvoorbeeld dagelijks gestandaardiseerde beelden van een hematoom of postoperatieve zwelling kunnen analyseren. Een algoritme kan vervolgens veranderingen in: oppervlakte; kleur; vorm; volume; symmetrie objectiever volgen.

Ook bij bewegingsanalyse kan computer vision mogelijk helpen om bewegingen zonder uitgebreid laboratorium te analyseren. AI maakt slecht onderzoek echter niet automatisch goed. De kwaliteit van de beelden, meetmethoden, algoritmen en onderzoeksopzet blijft bepalend. Bovendien moeten algoritmen worden gevalideerd voordat klinische conclusies uit hun metingen kunnen worden getrokken.

Van standaardtechniek naar individuele toepassing

Veel traditionele tapemethoden werken met vaste protocollen. Bij klacht A hoort techniek A. Bij spier B wordt de tape in richting B aangebracht. Deze aanpak is gemakkelijk aan te leren, maar sluit mogelijk onvoldoende aan bij individuele verschillen. Onderzoek van Cai et al. (2016) vond bijvoorbeeld onvoldoende ondersteuning voor het idee dat de richting van kinesiotape op een eenvoudige en voorspelbare manier een spier kan faciliteren of inhiberen.

Toekomstig onderzoek zou daarom meer aandacht kunnen besteden aan individuele respons. In plaats van iedere patiënt met dezelfde klacht exact hetzelfde te tapen, kan worden onderzocht welke toepassing bij die persoon een relevant effect heeft. Een praktische benadering kan zijn: Bepaal vooraf een relevante klacht of activiteit. Meet de uitgangssituatie. Breng een specifieke tapetoepassing aan.

Test dezelfde activiteit opnieuw. Gebruik de tape alleen wanneer een relevant effect wordt ervaren of gemeten. Dit sluit aan bij een meer patiëntgerichte vorm van klinisch redeneren. De toekomst van kinesiotape ligt mogelijk minder in universele protocollen en meer in responsgestuurde toepassing.

Kinesiotape combineren met actieve revalidatie

Een andere belangrijke ontwikkeling is dat kinesiotape steeds minder als zelfstandige behandeling wordt onderzocht. Voor veel musculoskeletale klachten zijn actieve interventies zoals: bewegen; oefentherapie; krachttraining; geleidelijke belasting; educatie; zelfmanagement belangrijke onderdelen van de behandeling (Lin et al., 2020). De relevante vraag is daarom niet altijd: “Is kinesiotape beter dan oefentherapie?” Een interessantere vraag kan zijn: “Kan kinesiotape tijdelijk helpen om oefentherapie of bewegen gemakkelijker mogelijk te maken?”

Wanneer een patiënt door tape tijdelijk minder pijn ervaart en daardoor beter kan oefenen, kan de tape een ondersteunende functie hebben zonder de belangrijkste behandeling te zijn. Toekomstige studies zouden daarom niet alleen moeten onderzoeken of tape pijn vermindert, maar ook of het gebruik van tape leidt tot: betere deelname aan oefentherapie; hogere trainingsbelasting; meer dagelijkse activiteit; sneller herstel van functioneren; meer vertrouwen tijdens bewegen.

Daarmee wordt kinesiotape onderzocht binnen de context waarin het in de moderne fysiotherapie waarschijnlijk het meest relevant is: als mogelijke aanvulling op actieve revalidatie.

Welke patiënten reageren wel en niet?

Gemiddelde onderzoeksresultaten vertellen niet altijd het hele verhaal. Stel dat tien patiënten kinesiotape krijgen. Drie patiënten ervaren een duidelijke verbetering, vier merken nauwelijks verschil en drie ervaren helemaal geen effect. Het gemiddelde effect kan dan klein zijn. Maar voor de drie patiënten die duidelijk reageren, kan de tape wel degelijk klinisch relevant zijn.

Toekomstig onderzoek moet daarom meer aandacht besteden aan responders en non-responders. Mogelijke factoren die de respons kunnen beïnvloeden zijn: type klacht; duur van de klachten; huidgevoeligheid; lichaamsgebied; eerdere ervaring met tape; verwachtingen; activiteitenniveau; gekozen tapetechniek; mechanische eigenschappen van de gebruikte tape. Hiervoor zijn grotere studies nodig waarin voldoende gegevens worden verzameld om mogelijke subgroepen te onderzoeken.

Ook zogenaamde N-of-1-studies, waarbij verschillende interventies systematisch bij één individuele patiënt worden vergeleken, kunnen interessant zijn. Dit sluit aan bij de klinische werkelijkheid waarin niet iedere patiënt hetzelfde reageert. Daarbij moet wel worden gewaakt voor het achteraf creëren van subgroepen zonder voldoende wetenschappelijke onderbouwing. Voorspellende factoren moeten uiteindelijk in nieuwe patiëntengroepen worden bevestigd.

Wat moeten we nog ontdekken?

Ondanks tientallen jaren onderzoek blijven veel fundamentele vragen bestaan. We weten bijvoorbeeld nog onvoldoende: hoeveel spanning daadwerkelijk op de huid terechtkomt; hoe nauwkeurig therapeuten verschillende rekpercentages kunnen reproduceren; of de richting van de tape klinisch relevant is; hoe verschillende materialen en lijmlagen de respons beïnvloeden; wat er tijdens beweging onder de tape gebeurt; hoe lang mogelijke sensorische effecten aanhouden; welke shamcontrole werkelijk geschikt is; welke patiënten het meest waarschijnlijk reageren; welke effecten klinisch relevant zijn en welke alleen statistisch meetbaar;

of tape op lange termijn werkelijk iets toevoegt aan actieve revalidatie. Daarnaast is meer standaardisatie nodig. Onderzoeken gebruiken verschillende: merken; tapetechnieken; hoeveelheden rek; draagtijden; patiëntengroepen; uitkomstmaten. Daardoor zijn studies soms moeilijk met elkaar te vergelijken. Dit probleem is in eerdere systematische reviews herhaaldelijk beschreven (Williams et al., 2012; Parreira et al., 2014).

Betere beschrijving van de gebruikte tape en tapetechniek kan toekomstig onderzoek beter reproduceerbaar maken.

Conclusie

De toekomst van kinesiotape-onderzoek ligt waarschijnlijk niet in het opnieuw uitvoeren van kleine studies die alleen vragen of tape de pijnscore met enkele punten verandert. Nieuwe onderzoeksmethoden bieden de mogelijkheid om veel preciezer te onderzoeken wat tape mechanisch, sensorisch en functioneel doet.

Betere sham-controles kunnen helpen om specifieke en algemene effecten van taping beter van elkaar te onderscheiden. Echografie, MRI, bewegingsanalyse en digitale beeldtechnieken kunnen zichtbaar maken wat er tijdens het dragen van tape daadwerkelijk gebeurt. AI kan mogelijk helpen om grote hoeveelheden beeld- en bewegingsdata objectiever te analyseren. Tegelijkertijd moet de klinische relevantie centraal blijven staan.

Een verandering op een MRI-scan, echografie of bewegingsanalyse is pas werkelijk interessant wanneer deze samenhangt met iets dat voor de patiënt belangrijk is. De belangrijkste toekomstige vraag is daarom waarschijnlijk niet: “Werkt kinesiotape?” maar: “Welke toepassing helpt welke patiënt, bij welk doel, op welk moment en als onderdeel van welke behandeling?”

De toekomst van kinesiotape ligt daarmee mogelijk minder in universele protocollen en sterke verklaringsmodellen, en meer in zorgvuldig meten, individueel evalueren en combineren met actieve revalidatie. Dat vraagt om kritisch onderzoek, maar ook om een open blik. Niet iedere oorspronkelijke theorie hoeft juist te zijn om nieuwe en klinisch relevante effecten te kunnen ontdekken.

Professionele kinesiotape voor jouw praktijk

Bekijk ons assortiment professionele kinesiotape voor fysiotherapie, sportzorg en revalidatie.

Bekijk kinesiotape

Wetenschappelijke bronnen

  • Cai, C., Au, I.P.H., An, W. & Cheung, R.T.H. (2016). Facilitatory and inhibitory effects of Kinesio tape: Fact or fad? Journal of Science and Medicine in Sport.
  • Langevin, H.M. et al. (2011). Reduced thoracolumbar fascia shear strain in human chronic low back pain. BMC Musculoskeletal Disorders.
  • Lin, I. et al. (2020). What does best practice care for musculoskeletal pain look like? Eleven consistent recommendations from high-quality clinical practice guidelines: systematic review. British Journal of Sports Medicine.
  • Naugle, K.E. et al. (2021). Effect of different Kinesio tape tensions on experimentally-induced thermal and muscle pain in healthy adults. PLOS ONE.
  • Pamuk, U. & Yucesoy, C.A. (2015). MRI analyses show that kinesio taping affects much more than just the targeted superficial tissues and causes heterogeneous deformations within the whole limb. Journal of Biomechanics.
  • Parreira, P.C.S. et al. (2014). Current evidence does not support the use of Kinesio Taping in clinical practice: a systematic review. Journal of Physiotherapy.
  • Williams, S., Whatman, C., Hume, P.A. & Sheerin, K. (2012). Kinesio taping in treatment and prevention of sports injuries: a meta-analysis of the evidence for its effectiveness. Sports Medicine.