Cupping en de huid: waarom is de huid zo belangrijk?

Cupping en de huid: waarom is de huid zo belangrijk?

Bij cupping wordt vaak gesproken over spieren, triggerpoints en fascia. Toch is de huid het eerste weefsel waarop een cup direct aangrijpt. Een cup raakt een spier niet rechtstreeks aan. De negatieve druk wordt eerst overgebracht op de huid en het onderliggende oppervlakkige weefsel. De huid wordt omhooggetrokken, vervormd en gedurende seconden of minuten mechanisch en sensorisch geprikkeld.

Om te begrijpen hoe cupping mogelijk werkt, moeten we daarom eerst kijken naar wat er in en rond de huid gebeurt. De huid is namelijk veel meer dan alleen een beschermende verpakking van het lichaam. Het is een actief sensorisch, mechanisch en biologisch orgaan.

De huid als sensorisch orgaan

De huid vormt de grens tussen het lichaam en de buitenwereld. Ze beschermt tegen onder andere:

  • mechanische belasting;
  • micro-organismen;
  • uitdroging;
  • temperatuurveranderingen;
  • schadelijke stoffen.

Tegelijkertijd bevat de huid een uitgebreid netwerk van zenuwuiteinden en sensorische receptoren. Hiermee kan het zenuwstelsel informatie ontvangen over:

  • aanraking;
  • druk;
  • rek;
  • beweging;
  • trillingen;
  • temperatuur;
  • mogelijke weefselschade.

Wanneer iemand wordt aangeraakt, gemasseerd, getapet of gecupt, ontstaat daarom niet alleen een mechanische gebeurtenis. Er wordt voortdurend sensorische informatie naar het zenuwstelsel gestuurd. Dit is belangrijk voor cupping.

Een cup geeft een relatief sterke en ongebruikelijke prikkel. De huid wordt niet alleen aangeraakt, maar door negatieve druk ook vervormd en omhooggetrokken. Het zenuwstelsel ontvangt daardoor gedurende de behandeling voortdurend nieuwe informatie uit het behandelde lichaamsgebied.

Wat doet negatieve druk met de huid?

Bij cupping wordt de druk binnen de cup lager dan de atmosferische druk buiten de cup. Hierdoor wordt de huid naar binnen getrokken. De mechanische belasting is daarmee anders dan bij massage of manuele druk.

Bij massage wordt meestal kracht naar het lichaam toe uitgeoefend. Bij cupping ontstaat juist een trekkracht van het lichaam af. Biomechanisch onderzoek van Tham et al. (2006) liet zien dat negatieve druk tijdens cupping aanzienlijke vervorming en mechanische spanning in de huid en onderliggende oppervlakkige weefsels kan veroorzaken. De hoeveelheid vervorming hangt af van meerdere factoren, waaronder:

  • de negatieve druk;
  • de diameter van de cup;
  • de eigenschappen van de huid;
  • de dikte van het onderhuidse weefsel;
  • de locatie op het lichaam.

Een cup op de bovenrug kan daarom een andere mechanische reactie veroorzaken dan dezelfde cup op de kuit of onderarm. Negatieve druk is dus geen gestandaardiseerde prikkel tenzij ook de werkelijke druk, cupgrootte en behandeltijd worden meegenomen.

Huidverplaatsing en rek

Wanneer de huid in een cup wordt getrokken, ontstaat vervorming in meerdere richtingen. De huid wordt:

  • omhooggetrokken;
  • plaatselijk uitgerekt;
  • ten opzichte van omliggende huid verplaatst.

De grootste vervorming bevindt zich waarschijnlijk in en rond het gebied onder de cup. Bij statische cupping blijft deze belasting gedurende enige tijd relatief constant. Bij bewegende cupping verandert de belasting voortdurend. Een bewegende cup veroorzaakt een combinatie van:

  • verticale huidverplaatsing;
  • rek;
  • schuifkrachten;
  • beweging ten opzichte van onderliggende weefsels.

Hoe deze krachten precies doorwerken naar diepere structuren is nog onvoldoende onderzocht. De huid is via het subcutane bindweefsel mechanisch verbonden met dieper gelegen lagen. Het is daarom aannemelijk dat huidverplaatsing ook invloed heeft op oppervlakkige bindweefsellagen.

Maar daaruit kan niet automatisch worden geconcludeerd dat een cup diepe fascia of spieren letterlijk “lostrekt”. De mechanische invloed neemt waarschijnlijk af en verandert naarmate de afstand tot de huid groter wordt.

Mechanoreceptoren en sensorische input

De huid bevat verschillende typen mechanosensitieve zenuwuiteinden die reageren op mechanische vervorming. Traditioneel worden hierbij onder andere genoemd:

  • Merkel-cel-neurietcomplexen;
  • Meissnerlichaampjes;
  • Pacinilichaampjes;
  • Ruffini-uiteinden;
  • vrije zenuwuiteinden.

Deze structuren reageren niet allemaal op dezelfde prikkel. Sommige zijn vooral gevoelig voor lichte aanraking, andere voor trillingen, rek of veranderingen in mechanische belasting. De werkelijkheid is bovendien complexer dan een eenvoudig schema waarin één receptor exact één functie heeft. Bij cupping worden verschillende mechanische prikkels gecombineerd. De huid wordt:

  • aangeraakt;
  • onder spanning gebracht;
  • uitgerekt;
  • soms bewogen.

Daardoor ontstaat een stroom van sensorische informatie richting het centrale zenuwstelsel. Deze input kan mogelijk invloed hebben op:

  • de waarneming van het behandelde lichaamsgebied;
  • pijn;
  • bewegingsgevoel;
  • aandacht voor een lichaamsdeel.

Dat betekent niet dat iedere cup automatisch een specifiek voorspelbaar neurologisch effect veroorzaakt. Wel is het biologisch aannemelijk dat een sterke mechanische prikkel op de huid sensorische gevolgen heeft.

Lokale roodheid en verkleuring

Een van de meest zichtbare reacties op cupping is roodheid. Tijdens en na de behandeling kan de huid:

  • roze;
  • rood;
  • donkerrood;
  • paars

verkleuren. Deze reactie ontstaat door veranderingen in de lokale circulatie en, bij een sterkere mechanische belasting, mogelijk door beschadiging van kleine oppervlakkige bloedvaatjes. Onderzoek van Wang et al. (2020) liet zien dat cupping de lokale huiddoorbloeding kan beïnvloeden en dat de reactie afhankelijk is van de hoeveelheid negatieve druk en de duur van de toepassing. Een tijdelijke toename van lokale huiddoorbloeding is dus meetbaar. Maar een rode of paarse plek is niet automatisch bewijs van:

  • verwijderde afvalstoffen;
  • toxines;
  • slechte circulatie;
  • een blokkade;
  • een ernstiger probleem in het onderliggende weefsel.

De kleur van een cuppingplek is vooral een zichtbare reactie van huid en oppervlakkige bloedvaatjes op de mechanische belasting.

Donkerder is daarom niet automatisch beter.

Het doel van cupping hoeft niet te zijn om zo donker mogelijke plekken te veroorzaken.

Waarom reageert de ene huid sterker dan de andere?

Niet iedereen reageert hetzelfde op cupping. Bij dezelfde behandeling kan de ene persoon nauwelijks rood worden, terwijl een andere persoon duidelijke paarse verkleuringen ontwikkelt. Mogelijke verklaringen zijn verschillen in:

  • huiddikte;
  • leeftijd;
  • hoeveelheid onderhuids weefsel;
  • kwetsbaarheid van bloedvaatjes;
  • lichaamsgebied;
  • medicatie;
  • eerdere blootstelling aan cupping;
  • individuele gevoeligheid.

Ook de mechanische eigenschappen van huid verschillen tussen personen. Met het ouder worden kan de huid bijvoorbeeld dunner en kwetsbaarder worden. Bij sommige patiënten kan daardoor minder negatieve druk nodig zijn.

Ook medicatie die invloed heeft op bloedstolling kan relevant zijn. Een patiënt die anticoagulantia gebruikt, kan mogelijk sneller of sterker verkleuren en vraagt om extra voorzichtigheid. De zichtbare huidreactie moet daarom altijd individueel worden beoordeeld. Een standaardhoeveelheid vacuüm is niet automatisch voor iedere patiënt geschikt.

Invloed van cupgrootte en vacuüm

De mechanische belasting van de huid wordt niet alleen bepaald door de hoeveelheid vacuüm. Ook de grootte van de cup speelt een rol. Een grotere cup bestrijkt een groter oppervlak en kan meer weefsel omvatten. Een kleinere cup geeft een meer lokale toepassing. Biomechanische modellen laten zien dat cupdiameter en negatieve druk invloed hebben op de verdeling van mechanische spanning in het weefsel (Tham et al., 2006). In de praktijk betekent dit dat:

dezelfde negatieve druk met een andere cupgrootte niet noodzakelijk dezelfde behandeling is.

Daarnaast is “één pompje” bij een vacuümpomp geen betrouwbare wetenschappelijke dosering. De uiteindelijke negatieve druk kan onder andere afhangen van:

  • het type cup;
  • de pomp;
  • de afsluiting op de huid;
  • de hoeveelheid weefsel die in de cup wordt getrokken.

Voor onderzoek en klinische reproduceerbaarheid zou het daarom beter zijn om negatieve druk objectief te meten, bijvoorbeeld in kilopascal of millimeter kwikdruk. In de dagelijkse praktijk gebeurt dit nog maar beperkt. Voor de therapeut blijft het daarom belangrijk om niet alleen naar de cup te kijken, maar vooral naar:

  • de reactie van de huid;
  • het gevoel van de patiënt;
  • het behandeldoel;
  • de totale behandeltijd.

Praktijkvoorbeeld

Een patiënt met schouderklachten krijgt voor het eerst cupping. De therapeut gebruikt een middelgrote cup op de bovenste schouderregio en creëert een matige negatieve druk. Binnen een minuut wordt de huid duidelijk rood. De patiënt ervaart een sterke maar niet pijnlijke trekkende sensatie.

Bij een tweede patiënt wordt dezelfde cup op ongeveer dezelfde plaats gebruikt. De huid verkleurt nauwelijks en de patiënt ervaart slechts een lichte trekkracht. Betekent dit dat de behandeling bij de eerste patiënt beter werkt?

Nee. De zichtbare huidreactie zegt niet rechtstreeks hoeveel pijnvermindering of functionele verbetering zal optreden. De twee patiënten kunnen verschillen in:

  • huidreactiviteit;
  • vaatreactie;
  • weefseldikte;
  • gevoeligheid.

De therapeut beoordeelt daarom niet alleen de kleur van de huid. Na de behandeling wordt opnieuw gekeken naar het oorspronkelijke behandeldoel. Bijvoorbeeld:

  • Is de pijn veranderd?
  • Gaat de schouderbeweging gemakkelijker?
  • Ervaart de patiënt minder spanning?
  • Was de behandeling goed verdraagbaar?

De huidreactie is belangrijke informatie over de dosering en veiligheid, maar is niet automatisch een maat voor therapeutisch succes.

Conclusie

De huid speelt een centrale rol bij cupping. Een cup werkt niet rechtstreeks op een spier of fasciale structuur. De eerste en meest directe mechanische interactie vindt plaats met de huid en het oppervlakkige onderhuidse weefsel. Door negatieve druk wordt de huid:

  • omhooggetrokken;
  • vervormd;
  • uitgerekt;
  • sensorisch geprikkeld.

Daarnaast kunnen tijdelijke veranderingen in de lokale huiddoorbloeding en zichtbare verkleuringen ontstaan. De grootte van deze reactie wordt beïnvloed door:

  • de hoeveelheid vacuüm;
  • de cupgrootte;
  • de behandeltijd;
  • het lichaamsgebied;
  • individuele eigenschappen van de huid.

De bekende rode en paarse plekken zijn geen bewijs dat toxines of afvalstoffen uit het lichaam zijn verwijderd. Ze zijn vooral een zichtbare reactie op de mechanische belasting van huid en oppervlakkige bloedvaatjes. De huid moet daarom niet alleen worden gezien als een laag waar de therapeut doorheen probeert te werken om spieren of fascia te bereiken.

De huid zelf is waarschijnlijk een belangrijk aangrijpingspunt van cupping.

De mechanische vervorming en voortdurende sensorische input kunnen mede verklaren waarom sommige patiënten na cupping tijdelijk minder pijn ervaren of gemakkelijker bewegen. Hoe deze oppervlakkige prikkel precies wordt vertaald naar veranderingen in pijn, bewegen en lichaamswaarneming is nog niet volledig opgehelderd. Juist daarom vormt de huid een belangrijk uitgangspunt voor toekomstig onderzoek naar de werkingsmechanismen van cupping.

Professioneel aan de slag met cupping?

Bekijk de professionele cupping cups en sets van FasciaShop voor een doelgerichte toepassing in de behandelpraktijk.

Bekijk cupping producten

Wetenschappelijke bronnen

  • Abraira, V.E. & Ginty, D.D. (2013). The sensory neurons of touch. Neuron.
  • Al-Bedah, A.M.N. et al. (2019). The medical perspective of cupping therapy: Effects and mechanisms of action. Journal of Traditional and Complementary Medicine.
  • Handler, A. & Ginty, D.D. (2021). The mechanosensory neurons of touch and their mechanisms of activation. Nature Reviews Neuroscience.
  • Tham, L.M., Lee, H.P. & Lu, C. (2006). Cupping: From a biomechanical perspective. Journal of Biomechanics.
  • Wang, X. et al. (2020). Effect of Pressures and Durations of Cupping Therapy on Skin Blood Flow Responses. Frontiers in Bioengineering and Biotechnology.