Cupping bij nek- en schouderklachten

Cupping bij nek- en schouderklachten

Cupping wordt regelmatig toegepast bij nek- en schouderklachten. Vooral de bovenste trapezius, de regio tussen de schouderbladen en de achterzijde van de schouder zijn populaire behandelgebieden. Veel patiënten beschrijven hun klachten als:

  • gespannen spieren;
  • spierknopen;
  • een vastzittende nek;
  • stijfheid;
  • een zwaar gevoel rond de schouders.

Na cupping ervaren sommige patiënten tijdelijk minder pijn of meer bewegingsvrijheid. Maar betekent dit dat de cup een spier heeft “losgemaakt”? Nek- en schouderklachten zijn meestal complexer dan één gespannen spier. De mogelijke effecten van cupping moeten daarom worden bekeken binnen een breder geheel van pijn, belasting, bewegen en herstel.

Waarom wordt cupping vaak toegepast?

De nek- en schouderregio is praktisch geschikt voor cupping. Op delen van de:

  • bovenste schouderregio;
  • thoracale regio;
  • achterzijde van de schouder

kunnen cups relatief gemakkelijk worden geplaatst. Daarnaast komen pijn en een gevoel van spierspanning in deze gebieden veel voor. De negatieve druk van een cup veroorzaakt lokaal:

  • huidverplaatsing;
  • mechanische belasting van oppervlakkige weefsels;
  • sterke sensorische input;
  • tijdelijke veranderingen in de lokale huiddoorbloeding.

Voor patiënten voelt de behandeling duidelijk anders dan massage of manuele druk. Juist deze sterke en ongebruikelijke prikkel kan mogelijk verklaren waarom sommige mensen na cupping tijdelijk een verandering in pijn of bewegen ervaren.

Nek- en schouderpijn zijn multifactorieel

Het is verleidelijk om nek- of schouderpijn toe te schrijven aan één gespannen spier. In werkelijkheid zijn deze klachten vaak multifactorieel. Mogelijke factoren zijn onder andere:

  • lokale weefselbelasting;
  • verminderde belastbaarheid;
  • slaap;
  • stress;
  • werkhouding en langdurige statische belasting;
  • eerdere blessures;
  • bewegingsgedrag;
  • verwachtingen en overtuigingen;
  • algemene gezondheid.

Bij schouderklachten kunnen daarnaast verschillende structuren en processen betrokken zijn. Pijn betekent daarom niet automatisch dat:

  • een spier verkort is;
  • fascia vastzit;
  • een triggerpoint de volledige oorzaak is;
  • een gewricht verkeerd staat.

Dit is belangrijk bij het beoordelen van cupping. Een patiënt kan na een behandeling minder pijn ervaren zonder dat daarmee de oorspronkelijke oorzaak van de klacht is weggenomen. Cupping kan mogelijk symptomen beïnvloeden, maar vervangt daarmee niet automatisch een bredere analyse van de klacht.

Effect op pijn

Pijnvermindering is een van de meest onderzochte mogelijke effecten van cupping. Systematische reviews en meta-analyses beschrijven mogelijke positieve kortetermijneffecten bij verschillende vormen van chronische musculoskeletale pijn (Cramer et al., 2020; Mohamed et al., 2023; Jia et al., 2025). Ook specifiek bij nekpijn zijn positieve resultaten beschreven. Een systematische review en meta-analyse van Kim et al. (2018) vond aanwijzingen dat cupping pijn en functie bij patiënten met nekpijn kan verbeteren.

De resultaten moeten wel voorzichtig worden geïnterpreteerd. Veel onderzoeken verschillen in:

  • type cupping;
  • hoeveelheid vacuüm;
  • behandeltijd;
  • plaatsing van de cups;
  • aantal behandelingen;
  • controlegroep;
  • kwaliteit van de onderzoeksopzet.

Daarnaast is blindering bij cupping moeilijk. Een patiënt merkt meestal duidelijk of een echte cup negatieve druk veroorzaakt. De huidige wetenschap ondersteunt daarom vooral de mogelijkheid dat cupping bij sommige patiënten op korte termijn pijn kan verminderen. Dat is iets anders dan aantonen dat cupping de onderliggende oorzaak van nek- of schouderpijn herstelt.

Effect op bewegingsvrijheid

Na cupping ervaren sommige patiënten dat zij:

  • de nek verder kunnen draaien;
  • gemakkelijker zijwaarts kunnen buigen;
  • de arm gemakkelijker kunnen heffen;
  • minder stijfheid voelen.

Een toename van bewegingsvrijheid kan klinisch relevant zijn. Maar het mechanisme is niet vanzelfsprekend. Meer bewegingsvrijheid betekent niet automatisch dat:

  • een spier langer is geworden;
  • fascia is losgemaakt;
  • een gewricht is gecorrigeerd.

Bewegingsuitslag wordt ook beïnvloed door:

  • pijn;
  • verwachting van pijn;
  • tolerantie voor rek;
  • vertrouwen in bewegen;
  • beschermend bewegingsgedrag.

Wanneer een beweging na cupping minder pijnlijk voelt, kan een patiënt daardoor verder of gemakkelijker bewegen. De verandering in bewegingsvrijheid kan dus gedeeltelijk samenhangen met een verandering in pijn en bewegingsgedrag.

Cupping rond de bovenste trapezius

De bovenste trapezius is waarschijnlijk een van de meest behandelde gebieden bij cupping. Patiënten wijzen vaak naar deze regio wanneer zij zeggen:

“Hier zit alles vast.”

De bovenste trapezius kan gevoelig zijn en wordt regelmatig geassocieerd met:

  • nekpijn;
  • schouderpijn;
  • hoofdpijn;
  • ervaren spierspanning.

Een cup op deze regio veroorzaakt echter eerst een mechanische prikkel aan:

  • de huid;
  • het subcutane weefsel;
  • oppervlakkige bindweefsellagen.

De bovenste trapezius wordt niet selectief uitgeschakeld of rechtstreeks “ontspannen”. Wanneer een patiënt na cupping minder spanning ervaart, kan dat mogelijk samenhangen met:

  • pijnvermindering;
  • veranderde sensorische input;
  • minder beschermend bewegingsgedrag;
  • een andere ervaring van het behandelde gebied.

Het is daarom zorgvuldiger om te zeggen:

“De patiënt ervaart minder spanning rond de bovenste trapezius.”

dan:

“De trapezius is door de cup losgemaakt.”

Cupping bij myofasciale klachten

De term myofasciale klachten wordt vaak gebruikt bij lokale pijn en gevoeligheid in spier- en bindweefselgebieden. Ook triggerpoints worden regelmatig als indicatie voor cupping genoemd. Sommige studies naar cupping bij myofasciale pijn beschrijven verbeteringen in:

  • pijn;
  • drukpijndrempel;
  • functie.

Toch blijft de interpretatie lastig. Een pijnlijke plek die na cupping minder gevoelig is, bewijst niet automatisch dat:

  • een triggerpoint mechanisch is verwijderd;
  • een fasciale verkleving is losgemaakt;
  • spiervezels structureel zijn veranderd.

De term myofasciaal beschrijft een klinisch gebied, maar geeft niet automatisch zekerheid over één specifiek onderliggend mechanisme. Cupping kan bij dergelijke klachten worden gezien als een mogelijke interventie om tijdelijk:

  • pijn te beïnvloeden;
  • lokale gevoeligheid te veranderen;
  • bewegen gemakkelijker te maken.

Statische versus bewegende cupping

Bij nek- en schouderklachten kunnen zowel statische als bewegende technieken worden toegepast.

Statische cupping

De cup blijft gedurende een bepaalde tijd op dezelfde plaats. Hierdoor ontstaat een relatief langdurige lokale prikkel. Dit kan worden toegepast op bijvoorbeeld:

  • de bovenste schouderregio;
  • de thoracale regio;
  • gebieden rond het schouderblad.

Bewegende cupping

Bij bewegende cupping wordt de cup over de huid verplaatst. Hierdoor ontstaan:

  • voortdurende huidverplaatsing;
  • wisselende trekkrachten;
  • schuifkrachten;
  • dynamische sensorische input.

Bewegende cupping kan praktisch zijn wanneer een groter gebied wordt behandeld. Er is echter onvoldoende overtuigend bewijs dat één van beide technieken bij nek- en schouderklachten structureel beter is. De keuze kan worden gebaseerd op:

  • het behandeldoel;
  • de locatie;
  • de gevoeligheid van de patiënt;
  • de reactie op de techniek;
  • het effect op een relevante beweging.

Combinatie met oefentherapie

Wanneer cupping pijn tijdelijk vermindert of bewegen gemakkelijker maakt, ontstaat mogelijk een bruikbaar moment voor actieve revalidatie. Bijvoorbeeld:

  • De patiënt kan de nek moeilijk draaien door pijn.
  • Cupping vermindert tijdelijk de pijn.
  • De patiënt kan gemakkelijker bewegen.
  • Dit moment wordt gebruikt voor actieve oefeningen.

Afhankelijk van de klacht kan oefentherapie gericht zijn op:

  • mobiliteit;
  • kracht;
  • coördinatie;
  • belastbaarheid;
  • geleidelijke hervatting van activiteiten.

Dit sluit aan bij een bredere benadering van musculoskeletale klachten. Cupping hoeft dan niet te worden gezien als de behandeling die het probleem “oplost”, maar als een mogelijke aanvullende interventie die tijdelijk een gunstige uitgangssituatie voor bewegen creëert. Wanneer cupping geen relevante verandering geeft, moet ook worden overwogen of de interventie nog toegevoegde waarde heeft.

Praktijkvoorbeeld

Een patiënt heeft sinds enkele maanden nek- en schouderklachten. Vooral na een lange werkdag ervaart de patiënt:

  • pijn rond de rechter bovenste trapezius;
  • een gevoel van spanning;
  • moeite met het draaien van het hoofd naar rechts.

Voor de behandeling wordt de nekrotatie getest. De patiënt rapporteert:

  • pijn: 6 op 10;
  • duidelijke spanning;
  • beperkte rotatie door pijn.

De therapeut past enkele minuten cupping toe op de nek-schouderregio met een goed verdraagbare hoeveelheid negatieve druk. Daarna wordt dezelfde beweging opnieuw getest. De patiënt rapporteert:

  • pijn: 3 op 10;
  • minder spanning;
  • gemakkelijker draaien.

Wat kan worden geconcludeerd? Niet automatisch dat:

  • de trapezius is losgemaakt;
  • een triggerpoint is verwijderd;
  • fascia is ontkleefd.

Wel kan worden vastgesteld dat de patiënt op dat moment:

  • minder pijn ervaart;
  • minder spanning voelt;
  • gemakkelijker beweegt.

De therapeut gebruikt deze verandering vervolgens voor actieve nek- en schouderoefeningen en bespreekt daarnaast de factoren die mogelijk bijdragen aan het aanhouden van de klachten.

Conclusie

Cupping wordt veel toegepast bij nek- en schouderklachten en kan bij sommige patiënten tijdelijk invloed hebben op:

  • pijn;
  • ervaren spierspanning;
  • bewegingsvrijheid;
  • lokale gevoeligheid.

Onderzoek geeft aanwijzingen voor positieve kortetermijneffecten bij nekpijn en andere musculoskeletale pijnklachten. De kwaliteit en vergelijkbaarheid van het bewijs zijn echter beperkt. Er is onvoldoende bewijs dat cupping:

  • de bovenste trapezius letterlijk losmaakt;
  • triggerpoints mechanisch verwijdert;
  • fasciale verklevingen opheft;
  • de onderliggende oorzaak van nek- of schouderpijn herstelt.

Een meer wetenschappelijk verdedigbare benadering is om cupping te zien als een mogelijke mechanische en sensorische interventie die tijdelijk pijn en bewegen kan beïnvloeden. De belangrijkste vraag is daarom niet:

“Welke spier moeten we losmaken?”

maar:

“Kan cupping bij deze patiënt tijdelijk een relevante verbetering geven, en kunnen we die verbetering gebruiken om bewegen en belastbaarheid verder op te bouwen?”

Binnen een bredere behandeling kan cupping daarmee een aanvullende rol hebben. Het is echter geen vervanging voor klinisch redeneren, actieve revalidatie en aandacht voor de verschillende factoren die nek- en schouderklachten kunnen beïnvloeden.

Professioneel aan de slag met cupping?

Bekijk de professionele cupping cups en sets van FasciaShop voor een doelgerichte toepassing in de behandelpraktijk.

Bekijk cupping producten

Wetenschappelijke bronnen

  • Cramer, H. et al. (2020). Cupping for Patients With Chronic Pain: A Systematic Review and Meta-Analysis. Journal of Pain.
  • Jia, Y. et al. (2025). Effects of cupping therapy on chronic musculoskeletal pain and functional disability: A systematic review and meta-analysis. BMJ Open.
  • Kim, S. et al. (2018). Is cupping therapy effective in patients with neck pain? A systematic review and meta-analysis. BMJ Open.
  • Mohamed, A.A. et al. (2023). Evidence-based and adverse-effects analyses of cupping therapy in musculoskeletal and sports rehabilitation: A systematic and evidence-based review. Journal of Back and Musculoskeletal Rehabilitation.
  • Tham, L.M., Lee, H.P. & Lu, C. (2006). Cupping: From a biomechanical perspective. Journal of Biomechanics.