Een van de bekendste claims over kinesiotape is dat de tape spieren kan activeren of juist ontspannen. Binnen traditionele tapemethoden worden hiervoor termen gebruikt als faciliteren en inhiberen. Door de tape in een bepaalde richting en met een bepaalde hoeveelheid rek aan te brengen, zou de activiteit van een spier kunnen worden verhoogd of verlaagd.
Deze theorie is aantrekkelijk omdat zij een duidelijke praktische regel geeft. De werkelijkheid blijkt echter complexer. Onderzoek naar spieractiviteit, spierkracht en spiertonus laat wisselende resultaten zien. Sommige studies meten tijdelijke veranderingen, terwijl andere geen relevant verschil vinden.
De huidige wetenschap ondersteunt daarom niet de algemene claim dat kinesiotape een spier betrouwbaar en voorspelbaar kan ‘aanzetten’ of ‘uitzetten’. Eventuele effecten lijken waarschijnlijk eerder samen te hangen met sensorische beïnvloeding en veranderingen binnen het neuromusculaire systeem dan met een directe mechanische verandering van de spier.
De gedachte dat kinesiotape spieren kan beïnvloeden komt uit de oorspronkelijke theoretische modellen van kinesiotaping. Daarbij wordt verondersteld dat de elastische tape via de huid invloed kan hebben op de functie van onderliggende spieren. De richting waarin de tape wordt aangebracht zou daarbij bepalend zijn voor het effect. Traditioneel wordt vaak gesteld: tape van de oorsprong naar de insertie van een spier zou faciliterend of activerend werken; tape van de insertie naar de oorsprong zou inhiberend, remmend of ontspannend werken.
Deze principes worden nog steeds in verschillende tapemethoden en cursussen gebruikt. Biologisch is het aannemelijk dat sensorische informatie vanuit de huid invloed kan hebben op motorische controle. Daaruit volgt echter niet automatisch dat één specifieke taprichting een spier voorspelbaar activeert en de tegenovergestelde richting dezelfde spier ontspant.
De termen facilitatie en inhibitie suggereren een relatief directe invloed op de spier. Bij facilitatie zou de spier gemakkelijker of sterker worden geactiveerd. Bij inhibitie zou de spieractiviteit juist afnemen. Het probleem is dat spieractiviteit niet door één lokale prikkel wordt bepaald. De activiteit van een spier wordt beïnvloed door onder andere: de taak die wordt uitgevoerd; de benodigde kracht; sensorische informatie; pijn; vermoeidheid; aandacht; motorische strategie; het centrale en perifere zenuwstelsel.
Een spier kan bovendien niet eenvoudig worden ingedeeld als ‘te actief’ of ‘te weinig actief’ zonder rekening te houden met de taak en de context. Daarom is het klassieke model van een activerende of remmende tape waarschijnlijk te eenvoudig.
Elektromyografie, meestal afgekort als EMG, wordt veel gebruikt om de elektrische activiteit van spieren te onderzoeken. Als kinesiotape een spier daadwerkelijk faciliteert of inhibeert, zou verwacht kunnen worden dat dit zichtbaar is in de EMG-activiteit. Onderzoek laat echter geen consistent patroon zien. Sommige studies vinden na kinesiotaping een verandering in spieractiviteit. Andere studies vinden geen verschil tussen: faciliterende tape; inhiberende tape; placebo- of shamtape; geen tape.
Serrão et al. onderzochten bijvoorbeeld faciliterende, inhiberende en placebo-tapetoepassingen tijdens een squat. Zij vonden geen ondersteuning voor een voorspelbaar faciliterend of inhiberend effect op de onderzochte spieractiviteit (Serrão et al., 2016). Dolphin et al. onderzochten verschillende aanlegrichtingen op de quadriceps en vonden geen significante verschillen in EMG-activiteit, spierkracht of functionele prestaties (Dolphin et al., 2021).
Andere onderzoeken rapporteren onder specifieke omstandigheden wel veranderingen in spieractiviteit. Deze resultaten zijn echter niet consistent genoeg om een algemene regel te formuleren. Bovendien betekent een verandering in EMG niet automatisch dat een spier therapeutisch is ‘geactiveerd’ of ‘ontspannen’. EMG meet elektrische activiteit tijdens een specifieke taak en is geen directe maat voor spierspanning, ontspanning of kwaliteit van bewegen.
Ook het effect van kinesiotape op spierkracht is veel onderzocht. De resultaten zijn wisselend. Sommige individuele onderzoeken vinden kleine of tijdelijke verbeteringen, terwijl andere geen relevant verschil aantonen. Een meta-analyse uit 2024 naar kinesiotape bij vermoeidheid van de onderste extremiteit vond aanwijzingen voor verbetering van spierkracht. De geïncludeerde onderzoeken hadden echter een hoge methodologische bias en verschilden sterk in populatie, toepassing en meetmethoden (Joveini et al., 2024).
Ook oudere systematische reviews en meta-analyses concludeerden dat eventuele effecten op spierkracht klein, inconsistent of onvoldoende overtuigend waren om een betrouwbaar prestatiebevorderend effect vast te stellen. Een belangrijk onderscheid is bovendien dat meer kracht produceren niet automatisch betekent dat de tape de spier rechtstreeks heeft geactiveerd. Een verandering in kracht kan ook samenhangen met: minder pijn; meer vertrouwen tijdens de test; veranderde sensorische feedback; een andere bewegingsstrategie; motivatie; leereffecten door herhaalde metingen.
De huidige wetenschap ondersteunt daarom niet de eenvoudige claim dat kinesiotape spieren structureel sterker maakt.
Spiertonus wordt vaak gebruikt als verklaring voor het gevoel dat een spier ‘strak’ of ‘gespannen’ is. Binnen kinesiotaping wordt daarom regelmatig gesproken over het verlagen van een verhoogde spiertonus. Onderzoek naar objectief gemeten spiertonus en mechanische spiereigenschappen laat echter geen eenduidig beeld zien. Sommige studies vinden geen verandering in spiertonus na kinesiotaping. Andere onderzoeken meten tijdelijke veranderingen in tonus of stijfheid.
Lopes et al. vonden bijvoorbeeld bij gezonde proefpersonen een kleine onmiddellijke toename van de gemeten spiertonus na een bepaalde tapetoepassing. Dit laat zien dat kinesiotape onder specifieke omstandigheden een meetbare verandering kan veroorzaken, maar ondersteunt niet de algemene regel dat tape een spier voorspelbaar ontspant of activeert (Lopes et al., 2022). Daarnaast moeten begrippen zorgvuldig worden onderscheiden: spieractiviteit wordt bijvoorbeeld onderzocht met EMG; spiertonus en stijfheid kunnen met mechanische meetinstrumenten worden onderzocht; het gevoel van spanning is een subjectieve ervaring.
Deze drie zaken zijn niet hetzelfde. Een patiënt kan ervaren dat een spier ‘meer ontspannen’ voelt zonder dat objectief een afname van EMG-activiteit of mechanische spiertonus wordt gemeten.
Een belangrijk alternatief voor het klassieke spiermodel is dat kinesiotape vooral werkt via de huid en het zenuwstelsel. De tape veroorzaakt een langdurige tactiele en mechanische prikkel. Tijdens bewegen verandert de spanning op de huid voortdurend. Deze sensorische informatie wordt door het zenuwstelsel verwerkt. Daardoor kan mogelijk veranderen: hoe een lichaamsgebied wordt waargenomen; hoe een beweging wordt uitgevoerd; hoeveel aandacht iemand aan een spier of lichaamsdeel besteedt; hoe pijn of spanning wordt ervaren; welke motorische strategie wordt gekozen.
In dat model hoeft de tape de spier niet rechtstreeks mechanisch te activeren of te ontspannen. Een eventuele verandering in spieractiviteit kan dan een indirect gevolg zijn van veranderde sensorische informatie en motorische controle. Dat sluit beter aan bij de huidige kennis dan het idee dat de elastische terugtrekkracht van tape een onderliggende spier eenvoudig ‘aan’ of ‘uit’ kan zetten.
Dat de klassieke activatie- en inhibitietheorie onvoldoende is bewezen, betekent niet dat patiënten geen verschil kunnen ervaren. Na het aanbrengen van kinesiotape kan iemand bijvoorbeeld aangeven dat: een spier minder gespannen voelt; bewegen gemakkelijker gaat; een lichaamsdeel meer ondersteuning krijgt; een beweging zekerder voelt; pijn afneemt. Deze ervaring kan verschillende verklaringen hebben.
De tape geeft extra sensorische informatie via de huid. Een verandering in pijn kan ervoor zorgen dat een beweging gemakkelijker wordt uitgevoerd. De patiënt kan meer aandacht krijgen voor een bepaald lichaamsgebied of juist meer vertrouwen krijgen in een beweging. Ook verwachtingen en de context van de behandeling kunnen invloed hebben op de ervaring.
Een ervaren verandering is dus niet automatisch bewijs dat een spier fysiologisch is geactiveerd of ontspannen. Het effect kan klinisch relevant zijn, terwijl het onderliggende mechanisme anders is dan traditioneel wordt uitgelegd.
Een patiënt ervaart een gespannen gevoel in de bovenste trapezius. De therapeut brengt kinesiotape aan met een techniek die traditioneel als ‘inhiberend’ wordt beschreven. Na het aanbrengen geeft de patiënt aan dat de schouder meer ontspannen voelt en bewegen prettiger gaat. De conclusie dat de tape de trapezius rechtstreeks heeft geremd, kan op basis van deze ervaring niet worden getrokken.
Een mogelijke verklaring is dat de tape de sensorische informatie vanuit de huid verandert. Ook een verandering in pijn, aandacht of bewegingsgedrag kan bijdragen aan het gevoel van ontspanning. Hetzelfde geldt voor een patiënt die na tape rond de quadriceps gemakkelijker een oefening uitvoert. Dat betekent niet automatisch dat de quadriceps rechtstreeks door de tape is geactiveerd.
De therapeut kan het ervaren effect wel benutten. Wanneer de patiënt prettiger beweegt, kan dat een geschikt moment zijn om actief te oefenen en de belastbaarheid verder op te bouwen.
De klassieke theorie dat kinesiotape spieren gericht kan activeren of ontspannen is onvoldoende overtuigend wetenschappelijk onderbouwd. Onderzoek naar EMG, spierkracht en spiertonus laat wisselende resultaten zien. Onder bepaalde omstandigheden worden tijdelijke veranderingen gemeten, maar deze effecten zijn niet consistent genoeg om te stellen dat kinesiotape een spier betrouwbaar kan faciliteren of inhiberen.
Vooral de eenvoudige regel dat één aanlegrichting activeert en de tegenovergestelde richting ontspant, wordt niet consequent door onderzoek bevestigd. De meest aannemelijke verklaring is dat kinesiotape in de eerste plaats sensorische informatie via de huid verandert. Deze informatie kan mogelijk invloed hebben op pijn, lichaamswaarneming, motorische controle en bewegingsgedrag. Een verandering in spieractiviteit kan daardoor indirect ontstaan.
Patiënten kunnen na kinesiotaping wel degelijk een verschil ervaren. Een spier kan bijvoorbeeld ‘losser’, ‘rustiger’ of juist ‘actiever’ aanvoelen. Zo’n ervaring is echter niet hetzelfde als bewijs voor een directe structurele of fysiologische verandering van de spier.
Kinesiotape kan daarom het beste worden gezien als een mogelijk sensorisch hulpmiddel binnen een bredere behandeling. Wanneer een patiënt dankzij de tape prettiger of met meer vertrouwen beweegt, kan dat effect worden benut tijdens oefentherapie, training en het opbouwen van belastbaarheid.
Bekijk ons assortiment professionele kinesiotape voor fysiotherapie, sportzorg en revalidatie.
Bekijk kinesiotape