Dikke of dunne Dry Needling-naalden: maakt het verschil?

Dikke of dunne Dry Needling-naalden: maakt het verschil?

Dry Needling-naalden zijn verkrijgbaar in verschillende lengtes en diameters. De lengte van een naald bepaalt hoeveel bereik de therapeut heeft. De diameter bepaalt hoe dik de naald is.

Op papier lijken de verschillen klein. Een verschil van enkele honderdsten van een millimeter klinkt nauwelijks relevant. In de handen van een therapeut kan een dunnere naald echter duidelijk anders aanvoelen dan een dikkere naald.

Een dunne naald is meestal flexibeler. Een dikkere naald is doorgaans stijver en kan tijdens het hanteren meer directe feedback geven. Voor de patiënt kunnen verschillen bestaan in de sensatie tijdens het inbrengen en manipuleren van de naald.

Maar betekent een dikkere naald ook een sterkere behandeling? Werkt een dunne naald minder goed? En is één diameter wetenschappelijk gezien beter? Het korte antwoord is dat de diameter praktisch verschil kan maken, maar dat er onvoldoende bewijs is om één universeel beste diameter aan te wijzen. De keuze hangt vooral af van de anatomische regio, de lengte van de naald, de gebruikte techniek, de ervaring van de therapeut en de reactie van de patiënt.

Wat betekent de diameter van een naald?

De diameter geeft de dikte van de naald aan en wordt meestal uitgedrukt in millimeters. Een naald van 0,20 millimeter is bijvoorbeeld dunner dan een naald van 0,30 millimeter. Dat verschil lijkt minimaal, maar heeft invloed op de mechanische eigenschappen van de naald. Naarmate een naald dunner en langer wordt, neemt de flexibiliteit doorgaans toe.

Een relatief dikkere naald van dezelfde lengte voelt meestal stijver aan. Voor de therapeut kan dat merkbaar zijn tijdens het inbrengen en manipuleren van de naald. De diameter beïnvloedt dus niet alleen wat de patiënt mogelijk voelt.

Zij beïnvloedt ook hoe het instrument zich in de hand van de therapeut gedraagt. Dat maakt diameter vooral een technische en praktische variabele. Het is niet automatisch een maat voor de therapeutische kracht van de behandeling.

Dunne naalden en patiëntcomfort

Dunne naalden worden vaak gekozen wanneer patiëntcomfort belangrijk is. Dat klinkt logisch. Een kleinere diameter betekent dat een smaller instrument door de huid en het onderliggende weefsel wordt gebracht.

Toch is het verband tussen diameter en pijn minder eenvoudig dan alleen “dunner doet minder pijn”. De ervaring van de patiënt wordt ook beïnvloed door de scherpte en kwaliteit van de naaldpunt, de snelheid van het inbrengen, de gebruikte techniek, de locatie en de gevoeligheid van het behandelde gebied. Onderzoek naar naalddiameter laat zien dat zeer grote verschillen in diameter invloed kunnen hebben op de pijn tijdens needling.

In een studie waarin naalden van 0,25, 0,50 en 0,90 millimeter werden vergeleken, veroorzaakte de dikste naald duidelijk meer needlingpijn. Het verschil tussen de kleinere diameters was veel minder duidelijk (Wang et al., 2016). Daarbij moet worden benadrukt dat een diameter van 0,90 millimeter veel groter is dan de diameters die bij veel gangbare Dry Needling-naalden worden gebruikt. We kunnen uit dit onderzoek dus niet concluderen dat een verschil tussen bijvoorbeeld twee veelgebruikte dunne Dry Needling-naalden automatisch een merkbaar verschil in pijn veroorzaakt. De algemene boodschap is vooral dat diameter één van de factoren is die het comfort kan beïnvloeden.

Dunner is niet automatisch comfortabeler

Een zeer dunne naald kan prettig zijn bij het passeren van de huid, maar kan ook flexibeler zijn. Dat kan invloed hebben op de technische uitvoering. Wanneer een lange, zeer dunne naald sterk buigt, kan de therapeut mogelijk minder directe controle ervaren.

Dat hoeft geen probleem te zijn wanneer de therapeut gewend is aan die naald en de techniek goed beheerst. Een andere therapeut kan juist liever werken met iets meer stijfheid. Ook voor de patiënt is de sensatie niet uitsluitend afhankelijk van de diameter. Een soepele en gecontroleerde inbreng met een iets dikkere naald kan prettiger worden ervaren dan een onrustige techniek met een zeer dunne naald. De technische vaardigheid van de therapeut blijft daarom een belangrijke factor.

Dikkere naalden en stijfheid

Een dikkere naald is doorgaans stijver dan een dunnere naald van dezelfde lengte en hetzelfde materiaal. Voor de therapeut kan die stijfheid voordelen hebben. De naald kan minder gemakkelijk buigen en de beweging van de hand wordt directer via de naald overgedragen.

Vooral wanneer langere naalden worden gebruikt, kan dat verschil merkbaar zijn. Dat betekent echter niet dat een dikkere naald automatisch nauwkeuriger is. Controle ontstaat uit een combinatie van de eigenschappen van de naald en de vaardigheden van de therapeut.

Een ervaren therapeut die gewend is aan dunne flexibele naalden kan daarmee uitstekend werken. Een andere therapeut ervaart bij dezelfde techniek mogelijk meer controle met een iets grotere diameter. Daarom is het moeilijk om één diameter als technisch superieur te beschrijven.

Controle tijdens het prikken

Bij Dry Needling moet de therapeut voortdurend weten wat hij doet. De anatomische locatie, diepte en richting zijn belangrijk voor een veilige behandeling. De naald vormt daarbij de verbinding tussen de hand van de therapeut en het weefsel.

Een stijvere naald kan voor sommige therapeuten meer directe mechanische feedback geven. Een flexibele naald kan juist subtieler aanvoelen, maar ook gemakkelijker afbuigen. Hoe relevant dat verschil is, hangt af van de gebruikte techniek.

Bij een korte oppervlakkige naald is flexibiliteit vaak veel minder merkbaar dan bij een lange dunne naald. Daarom moeten diameter en lengte altijd samen worden bekeken. Een naald van een bepaalde diameter kan bij een korte lengte relatief stevig aanvoelen, terwijl dezelfde diameter bij een veel langere naald duidelijk flexibeler is. De vraag is dus niet alleen: “Welke diameter gebruik ik?” Maar: “Welke combinatie van lengte en diameter geeft mij voldoende controle voor deze specifieke toepassing?”

Diepe versus oppervlakkige spieren

Voor oppervlakkig gelegen spieren is meestal geen lange naald nodig. Daardoor kan een relatief dunne naald toch voldoende stijfheid en controle bieden. Bij dieper gelegen spieren kan een langere naald noodzakelijk zijn. Naarmate een naald langer wordt, kan een zeer kleine diameter meer flexibiliteit geven.

Sommige therapeuten kiezen daarom bij langere naalden voor een iets grotere diameter. Dat is een praktische keuze. Het betekent niet dat diepe spieren per definitie met dikke naalden behandeld moeten worden.

De anatomische veiligheid blijft belangrijker dan de diameter. Een langere en dikkere naald geeft niet automatisch betere toegang tot een diepe spier. De therapeut moet nog steeds precies weten welke structuren in het naaldtraject liggen en welke insteekdiepte verantwoord is.

Dieper behandelen is bovendien niet automatisch effectiever. De keuze van een naald moet volgen uit het behandeldoel en de anatomie. Niet uit het idee dat een grotere naald een krachtigere behandeling geeft.

Geeft een dikkere naald een sterkere prikkel?

Mechanisch gezien brengt een dikkere naald meer materiaal in het weefsel dan een dunnere naald. Het is daarom aannemelijk dat de lokale mechanische prikkel niet volledig identiek is. Maar de klinische betekenis daarvan is veel minder duidelijk.

Een Dry Needling-behandeling wordt door meer factoren bepaald dan alleen de diameter. Hoe diep wordt geprikt? Hoe vaak wordt de naald bewogen?

Wordt de naald gedraaid? Hoe lang blijft de naald in het weefsel? Worden local twitch responses opgewekt?

Welke structuur wordt behandeld? Al deze factoren bepalen mede de totale mechanische en sensorische prikkel. Daarom kan niet eenvoudig worden gesteld dat een dikkere naald altijd een krachtigere of effectievere behandeling geeft.

Heeft diameter invloed op het effect?

Er is relatief weinig direct onderzoek naar deze vraag. Een studie van Wang en collega’s onderzocht verschillende naalddiameters bij patiënten met chronische lumbale myofasciale pijn. In deze studie werden naalden van 0,25, 0,50 en 0,90 millimeter vergeleken. De onderzoekers vonden verschillen tussen de groepen en concludeerden dat de diameter mogelijk invloed kan hebben op behandeluitkomsten.

De dikste naald veroorzaakte echter ook duidelijk meer pijn tijdens de behandeling (Wang et al., 2016). Dit onderzoek is interessant omdat het een van de weinige studies is die diameter rechtstreeks als behandelvariabele heeft onderzocht. Tegelijkertijd zijn de resultaten moeilijk te vertalen naar de dagelijkse Dry Needling-praktijk.

De gebruikte diameters liepen veel sterker uiteen dan bij veel gangbare Dry Needling-naalden. Bovendien ging het om één specifieke patiëntengroep en één behandelprotocol. Eén onderzoek is daarom onvoldoende om te concluderen dat dikkere naalden in het algemeen beter werken.

Klinisch effect is meer dan naalddiameter

Wanneer een patiënt na Dry Needling minder pijn heeft, weten we niet welk deel van dat effect door de diameter van de naald werd bepaald. De naald geeft een mechanische en sensorische prikkel. De locatie, de techniek, de dosering en de reactie van het zenuwstelsel spelen allemaal een rol.

Daarnaast beïnvloeden ook verwachtingen en de behandelcontext de ervaring. Een klein verschil in diameter kan technisch merkbaar zijn zonder dat dit uiteindelijk een groot verschil in behandelresultaat veroorzaakt. Daarom moeten producteigenschappen niet groter worden gemaakt dan de wetenschap ondersteunt.

Wat zegt de wetenschap?

De wetenschappelijke literatuur naar Dry Needling richt zich vooral op de vraag of de behandeling als geheel effect heeft bij verschillende musculoskeletale klachten. Er is aanzienlijk minder onderzoek naar afzonderlijke technische variabelen zoals naalddiameter. Het onderzoek van Wang en collega’s uit 2016 is een belangrijke uitzondering.

Daarin werden verschillende diameters rechtstreeks vergeleken bij chronische lumbale myofasciale pijn. De resultaten suggereren dat diameter mogelijk invloed kan hebben op zowel de behandelervaring als de klinische uitkomst. Maar de beschikbare evidence is te beperkt om een algemeen doseeradvies te geven.

We weten bijvoorbeeld niet overtuigend of een verschil tussen veelgebruikte diameters zoals 0,25 en 0,30 millimeter leidt tot klinisch relevante verschillen in pijn, functie of herstel. Ook weten we niet of een bepaalde diameter beter is voor een specifieke spiergroep. Daarvoor is meer vergelijkend onderzoek nodig.

Meer prikkel betekent niet automatisch meer effect

Dit is een belangrijk principe. Een dikkere naald kan mogelijk een sterkere lokale prikkel geven. Maar meer prikkeling betekent niet automatisch een beter klinisch resultaat.

Bij Dry Needling zien we hetzelfde bij andere behandelvariabelen. Meer naaldbewegingen zijn niet automatisch beter. Meer local twitch responses zijn niet automatisch beter.

Meer napijn betekent niet dat de behandeling effectiever is geweest. De optimale prikkel is waarschijnlijk afhankelijk van de patiënt en het behandeldoel. Een patiënt met een sterk gevoelig pijnsysteem kan bijvoorbeeld goed reageren op een relatief beperkte prikkel.

Een zeer intensieve behandeling kan bij dezelfde patiënt juist onnodig veel napijn veroorzaken. De kunst is daarom niet om de grootst mogelijke prikkel te geven. De kunst is om voldoende te doseren.

Diameter en napijn

Het is logisch om te veronderstellen dat een dikkere naald meer lokale mechanische belasting kan veroorzaken. Toch is napijn niet uitsluitend afhankelijk van de diameter. De hoeveelheid naaldmanipulatie, het aantal inserties en de intensiteit van de behandeling spelen eveneens een belangrijke rol. Onderzoek naar post-needling soreness laat zien dat napijn vaak voorkomt na diepe Dry Needling en meestal binnen ongeveer 72 uur afneemt.

Daarbij lijkt de totale behandeldosering belangrijk. Een dunne naald die zeer vaak wordt bewogen kan theoretisch meer lokale prikkeling geven dan een iets dikkere naald die één keer rustig wordt ingebracht. Diameter kan daarom nooit los van de volledige techniek worden beoordeeld.

De voorkeur van de therapeut

Therapeuten ontwikkelen vaak een persoonlijke voorkeur voor een bepaalde diameter. Dat is niet vreemd. Een instrument moet prettig in de hand liggen en passen bij de manier waarop iemand is opgeleid.

De ene therapeut wil zoveel mogelijk flexibiliteit en kiest graag dun. Een andere wil bij langere naalden meer stijfheid en directe controle. Zolang de gebruikte naald geschikt is voor de toepassing en de behandeling veilig wordt uitgevoerd, hoeft persoonlijke voorkeur geen probleem te zijn. Wel is het verstandig dat een therapeut begrijpt waarom hij een bepaalde keuze maakt. “Dit gebruik ik altijd” is een minder sterke reden dan: “Bij deze lengte geeft deze diameter mij voldoende controle en de patiënt verdraagt deze goed.”

De reactie van de patiënt

Ook de patiënt moet worden meegenomen in de keuze. Sommige patiënten zijn nauwelijks gevoelig voor de naald. Andere patiënten reageren sterk op iedere invasieve prikkel.

Bij een angstige of gevoelige patiënt kan een relatief dunne naald en een rustige techniek passend zijn. Bij een patiënt die eerder veel napijn heeft ervaren, kan eveneens worden gekozen voor een minder intensieve behandeling. Dat betekent niet dat de dunste naald automatisch de beste keuze is. De volledige techniek moet worden aangepast. De diameter is slechts één knop waaraan de therapeut kan draaien.

Praktijkvoorbeeld

Een fysiotherapeut behandelt twee patiënten met een lokaal gevoelig spiergebied. De eerste patiënt heeft een oppervlakkig gelegen klacht en is gespannen voor de behandeling. De therapeut kiest een korte en relatief dunne naald.

De behandeling wordt beperkt gedoseerd en de patiënt ervaart weinig ongemak. De tweede patiënt heeft een dieper gelegen doelgebied waarvoor een langere naald nodig is. De therapeut merkt dat een zeer dunne lange naald voor zijn techniek relatief flexibel is.

Hij kiest daarom voor een iets grotere diameter om meer controle over het instrument te ervaren. Betekent dit dat de tweede patiënt een sterkere of betere behandeling krijgt? Nee. De twee naalden zijn gekozen voor verschillende technische omstandigheden. Het doel is in beide gevallen hetzelfde: een veilige en goed gedoseerde behandeling die past bij de patiënt.

Kun je op basis van spiergrootte de diameter kiezen?

Niet rechtstreeks. Een grote spier hoeft niet automatisch met een dikkere naald te worden behandeld. De diameter wordt niet simpelweg bepaald door de omvang of kracht van de spier.

Een grote oppervlakkige spier kan prima met een dunne naald worden behandeld. Bij een dieper gelegen structuur kan vooral de lengte van de naald relevant zijn, waarbij vervolgens wordt gekeken welke diameter voldoende technische controle geeft. De keuze moet dus gebaseerd zijn op de volledige anatomische en technische situatie.

Conclusie

Maakt het verschil of een Dry Needling-naald dik of dun is? Ja, praktisch gezien wel. De diameter beïnvloedt de mechanische eigenschappen van de naald. Een dunnere naald is doorgaans flexibeler.

Een dikkere naald is meestal stijver en kan voor sommige therapeuten meer directe controle geven. Diameter kan mogelijk ook invloed hebben op de sensatie en het comfort van de patiënt. Wetenschappelijk is echter onvoldoende aangetoond dat één bepaalde diameter universeel betere behandelresultaten geeft.

Er bestaat enig direct onderzoek waarin verschillende naalddiameters zijn vergeleken, maar dat is onvoldoende om algemene regels te maken voor alle spieren, klachten en technieken. Daarom moet een therapeut een naald niet kiezen vanuit de gedachte: “Dikker werkt beter.” Of: “Dunner is altijd comfortabeler.”

De betere vraag is: “Welke combinatie van diameter en lengte geeft mij bij deze patiënt, op deze locatie en voor deze techniek voldoende controle, veiligheid en comfort?” De diameter is daarmee een belangrijke technische keuze. Maar uiteindelijk blijven anatomische kennis, behandeltechniek, dosering en klinisch redeneren belangrijker dan enkele honderdsten van een millimeter verschil.

Professionele Dry Needling-materialen

Werk je als fysiotherapeut of volg je een Dry Needling-opleiding? Bekijk het assortiment steriele naalden en praktische benodigdheden voor professioneel gebruik.

Bekijk Dry Needling-producten

Wetenschappelijke bronnen

  • Wang G, et al. Impact of Needle Diameter on Long-Term Dry Needling Treatment of Chronic Lumbar Myofascial Pain Syndrome. American Journal of Physical Medicine & Rehabilitation. 2016;95(7):483–494. Een van de weinige directe klinische studies waarin verschillende naalddiameters werden vergeleken. De resultaten suggereren dat diameter mogelijk invloed kan hebben op behandelervaring en uitkomst, maar de gebruikte diameters en specifieke patiëntengroep beperken de mogelijkheid om de bevindingen algemeen toe te passen.
  • Martín-Pintado-Zugasti A, et al. Post-needling Soreness After Myofascial Trigger Point Dry Needling. 2018. Onderzoek naar napijn na Dry Needling. De studie onderstreept dat de totale mechanische dosering van de behandeling relevant is voor post-needling soreness.
  • Dunning J, Butts R, Mourad F, et al. Dry Needling: A Literature Review With Implications for Clinical Practice Guidelines. 2014. Een brede bespreking van Dry Needling-technieken en verschillende vormen van naaldstimulatie.
  • Gattie E, Cleland JA, Snodgrass S. The Effectiveness of Trigger Point Dry Needling for Musculoskeletal Conditions by Physical Therapists: A Systematic Review and Meta-analysis. 2017. Deze review beoordeelt de klinische effectiviteit van Dry Needling in bredere zin en laat zien dat veel technische behandelvariabelen tussen studies verschillen.
  • Chys M, et al. Clinical Effectiveness of Dry Needling in Patients with Musculoskeletal Pain: An Umbrella Review. 2023. Een umbrella review die laat zien dat de Dry Needling-literatuur sterk heterogeen is in technieken en doseringen, waardoor specifieke technische variabelen moeilijk afzonderlijk te beoordelen zijn.