Cupping wordt al duizenden jaren toegepast, maar wetenschappelijk gezien staan nog veel vragen open. We weten inmiddels redelijk goed dat cupping:
Maar veel andere vragen zijn nog niet beantwoord. We weten bijvoorbeeld nog onvoldoende:
De toekomst van cupping-onderzoek ligt daarom waarschijnlijk niet in nóg meer kleine studies die alleen vragen:
“Werkt cupping wel of niet?”
Interessanter zijn vragen als:
Een van de grootste problemen binnen cuppingonderzoek is het ontwikkelen van een goede placebo- of shamcontrole. Een geloofwaardige shambehandeling moet zoveel mogelijk lijken op echte cupping, maar het specifieke effect van negatieve druk zo veel mogelijk uitsluiten. Dat is moeilijk. Zelfs een shamcup kan:
Onderzoekers hebben verschillende shamcups ontwikkeld, waaronder systemen waarbij de zuigkracht snel verdwijnt of cups met een opening waardoor geen langdurig vacuüm ontstaat (Lee et al., 2010). Toch blijft de vraag:
Wanneer een shamcup zelf sensorische input geeft, wordt mogelijk niet vergeleken:
maar: sterkere cupping versus een andere sensorische interventie. Toekomstig onderzoek zou daarom vaker meerdere groepen kunnen gebruiken:
Zo kan beter worden onderzocht:
Een opvallend probleem binnen cuppingonderzoek is dat de dosering vaak slecht wordt beschreven. Onderzoekers noemen bijvoorbeeld:
Maar deze omschrijvingen zijn moeilijk reproduceerbaar. De werkelijke negatieve druk kan worden beïnvloed door:
Ook bij siliconen cups hangt de zuigkracht af van hoe sterk de cup handmatig wordt ingedrukt. Toekomstig onderzoek zou daarom de negatieve druk veel vaker objectief moeten meten, bijvoorbeeld in:
Onderzoek van Wang et al. (2020) laat zien dat zowel druk als behandeltijd invloed hebben op de lokale fysiologische reactie. Een betere beschrijving van de dosering is daarom essentieel. Idealiter wordt in onderzoek minimaal gerapporteerd:
Zonder deze informatie is het moeilijk om onderzoeken werkelijk met elkaar te vergelijken.
Een belangrijke toekomstige onderzoeksmethode is echografie. Met moderne echografie kunnen verschillende oppervlakkige weefsellagen tijdens beweging worden bekeken. Dat maakt vragen mogelijk zoals:
Onderzoek naar fasciale glijlagen laat zien dat relatieve beweging tussen weefsellagen met echografie kan worden onderzocht (Langevin et al., 2011). Voor cupping is dit bijzonder interessant. In plaats van alleen te zeggen:
“De cup trekt fascia omhoog”
kan dan daadwerkelijk worden gemeten:
Daarmee kan het verschil tussen een aannemelijke theorie en een daadwerkelijk gemeten effect kleiner worden.
De zichtbare huidverplaatsing tijdens cupping lijkt eenvoudig, maar is nog opvallend weinig gestandaardiseerd onderzocht. Toekomstige studies kunnen gebruikmaken van:
Hiermee kan bijvoorbeeld worden onderzocht:
Dit kan helpen om de werkelijke mechanische dosis beter te beschrijven. Het kan bovendien verklaren waarom dezelfde pompinstelling bij twee personen een verschillende behandeling kan geven. Mogelijke verklaringen zijn verschillen in:
Veel studies meten alleen:
Maar wanneer cupping wordt gebruikt binnen fysiotherapie of sport, is beweging minstens zo relevant. Toekomstig onderzoek kan daarom gebruikmaken van:
Daarmee kan worden onderzocht of iemand na cupping:
Belangrijk is dat een biomechanische verandering niet automatisch als verbetering wordt gezien. Een verschil in gewrichtshoek is pas klinisch interessant wanneer het samenhangt met bijvoorbeeld:
Een van de meest interessante onderzoeksrichtingen is waarschijnlijk de relatie tussen cupping en het zenuwstelsel. Cupping geeft een sterke mechanische prikkel aan de huid. Daarom kunnen vragen worden onderzocht zoals:
Ook kunnen technieken worden gebruikt zoals:
Veel traditionele verklaringen voor cupping richten zich op lokale weefsels. Maar het is mogelijk dat een belangrijk deel van het klinische effect ontstaat doordat het zenuwstelsel de sterke sensorische prikkel verwerkt. Toekomstig onderzoek kan helpen om beter onderscheid te maken tussen:
AI kan in de toekomst een rol spelen bij het analyseren van huidreacties en bewegingsdata. Bijvoorbeeld bij:
Een algoritme zou gestandaardiseerde foto’s kunnen analyseren op:
Dat kan helpen om subjectieve beschrijvingen zoals:
te vervangen door objectievere meetgegevens. Ook computer vision kan mogelijk worden gebruikt om:
te analyseren. Maar AI lost methodologische problemen niet automatisch op. De kwaliteit blijft afhankelijk van:
Een AI-model dat slechte of inconsistente gegevens analyseert, produceert niet vanzelf betrouwbare wetenschap.
Veel onderzoek werkt met één vast cuppingprotocol voor alle deelnemers. Bijvoorbeeld:
Dat is begrijpelijk voor standaardisatie. Maar patiënten verschillen sterk. Een toekomstige benadering kan meer aandacht geven aan responsgestuurde toepassing. Bijvoorbeeld:
Dit kan helpen om beter te begrijpen waarom sommige mensen reageren en anderen niet. Het betekent niet dat onderzoek volledig ongestandaardiseerd moet worden. Wel kan onderscheid worden gemaakt tussen:
Veel studies onderzoeken cupping als zelfstandige behandeling. Maar binnen de moderne fysiotherapie wordt cupping vaak juist gebruikt als aanvulling. Een interessante vraag is daarom niet alleen:
“Is cupping beter dan oefentherapie?”
maar:
“Kan cupping iemand tijdelijk helpen om beter te oefenen?”
Bijvoorbeeld:
Toekomstig onderzoek zou daarom niet alleen pijn direct na cupping moeten meten, maar ook:
Zo wordt cupping onderzocht binnen de context waarin de techniek mogelijk het meest relevant is: als aanvullende interventie binnen actieve revalidatie.
Gemiddelden in onderzoek kunnen belangrijke individuele verschillen verbergen. Stel dat:
Het gemiddelde effect kan dan klein zijn. Toch kan de behandeling voor een specifieke subgroep relevant zijn. Toekomstig onderzoek kan daarom kijken naar mogelijke kenmerken van responders. Bijvoorbeeld:
Maar hier is voorzichtigheid nodig. Het achteraf zoeken naar subgroepen kan gemakkelijk toevallige verbanden opleveren. Voorspellende kenmerken moeten daarom worden:
Ook N-of-1-onderzoek kan interessant zijn, waarbij verschillende interventies systematisch binnen één patiënt worden vergeleken.
Ondanks eeuwenlange toepassing weten we nog opvallend veel niet. Belangrijke open vragen zijn:
Ook is meer standaardisatie nodig. Onderzoeken verschillen sterk in:
Daardoor blijven meta-analyses moeilijk te interpreteren (Cramer et al., 2020; Mohamed et al., 2023).
De toekomst van cupping-onderzoek ligt waarschijnlijk niet in de vraag:
“Werkt cupping wel of niet?”
Die vraag is te breed. De betere vragen zijn:
Betere sham-controles kunnen helpen om specifieke en contextuele effecten beter van elkaar te onderscheiden. Objectieve drukmetingen kunnen de dosering reproduceerbaarder maken. Echografie en beeldanalyse kunnen laten zien wat er werkelijk gebeurt met:
Bewegingsanalyse kan onderzoeken of een patiënt niet alleen minder pijn rapporteert, maar ook functioneel anders beweegt. AI kan mogelijk helpen om grote hoeveelheden beeld- en bewegingsdata objectiever te verwerken. Maar uiteindelijk blijft de klinische relevantie centraal staan. Een meetbare verandering in:
is pas echt interessant wanneer die verandering samenhangt met iets dat voor de patiënt belangrijk is. De belangrijkste toekomstige onderzoeksvraag is daarom waarschijnlijk:
“Welke vorm van cupping helpt welke patiënt, bij welk doel, in welke dosering en als onderdeel van welke behandeling?”
De toekomst van cupping ligt daarmee niet in steeds sterkere claims, maar in:
Juist door kritischer onderzoek kan duidelijker worden waar cupping werkelijk waarde heeft en waar niet.
Bekijk de professionele cupping cups en sets van FasciaShop voor een doelgerichte toepassing in de behandelpraktijk.
Bekijk cupping producten