Bijenwas, wie kent het niet. Wist je dat het één van de meest ingenieuze stoffen in de natuur is? Dit goedje vormt de basis van het hele bijenleven: zonder was geen raten, zonder raten geen honing, en zonder honing… geen bijenvolk. Maar hoe komt zo’n klein beestje eigenlijk aan dat wondermateriaal?
De productie van bijenwas is de hoofdtaak van jonge werkbijen, meestal tussen de 12 en 18 dagen oud. In die fase van het leven zijn hun wasklieren, die zich aan de onderkant van het achterlijf bevinden, op hun actiefst.
Uit die klieren persen ze minuscuul kleine wasplaatjes, dat zijn dunne, doorschijnende schijfjes die qua grootte te vergelijken zijn met een speldenknop. De was komt letterlijk uit hun lichaam, gevormd uit suikers die ze uit honing halen. Het omzetten van honing naar was kost behoorlijk wat energie: voor 1 kilo bijenwas moeten bijen naar schatting 6 tot 8 kilo honing eten.
De net geproduceerde was is kleurloos en hard, een beetje te vergelijken met dunne, breekbare plastic schilfertjes.


Hier gaan we over op het echte vakwerk. De bij pakt de wasplaatjes tussenhaar kaken en begint te kauwen. Door de warmte van haar lichaam (ongeveer 35°C), haar speeksel en enzymen, worden de harde schilfers langzaam zacht en kneedbaar.
Wat eerst een breekbaar plaatje was, verandert nu in een soepele, geurige substantie: natuurlijke bijenwas. Deze wordt vervolgens met uiterste precisie verwerkt: bijen gebruiken hun poten en delen van de mond om laagje voor laagje perfecte zeshoekige cellen te bouwen.


Het is geen toeval dat bijen zeshoeken maken, maar pure wis- en natuurkunde in de praktijk.
Een zeshoek:
Kortom: maximale efficiëntie met minimale middelen. De honingraat is dus niet alleen mooi, maar vooral een natuurkundig meesterwerk.
Een honingraat is meer dan zomaar een opslagruimte. Hij heeft meerdere functies binnen het bijenvolk:
Elke cel in de raat heeft dus een rol in de perfect georganiseerde samenleving van het bijenvolk.
Hoewel was in eerste instantie kleurloos is, krijgt het al snel zijn typische amberkleur. Dat komt door stuifmeel, propolis (de harsachtige lijm die bijen maken) en honingresten die zich met de was mengen.
De geur van bijenwas is uniek – warm, honingachtig en een beetje bloemig. Geen wonder dat het al eeuwenlang wordt gebruikt voor allerlei toepassingen.
Bijenwas is van levensbelang voor bijen, maar ook mensen gebruiken het al duizenden jaren. Bij de oude Egyptenaren diende het als middel om mummies te balsemen en hiërogliefen te verzegelen. De Romeinen maakten er schrijfbordjes en kaarsen van. Vandaag de dag vind je het in allerlei duurzame producten:


Die kleine wasplaatjes uit de buik van een bij kan je dus met recht een wondermiddel noemen.
Bijenwas bestaat voornamelijk uit esters van vetzuren en alcoholen. Het is waterafstotend, antibacterieel en bijzonder sterk. Deze eigenschappen zijn nodig om de bijen te beschermen.
Wetenschappers hebben berekend dat de was in een bijenkorf meer dan 25.000 cellen kan vormen, die samen honderden kilo’s honing kunnen bevatten, zonder in te storten.
Wat voor ons misschien een simpel bouwmateriaal lijkt, is voor bijen een levenswerk. Dus de volgende keer dat je een honingraat of bijenwaskaars ziet, weet je dat je eigenlijk kijkt naar het resultaat van duizenden kleine ambachtsvrouwtjes, die met hun eigen lichaam hun complete wereld hebben gebouwd.